Maand: augustus 2026

De vier evangeliën, knooppunt van vier werkelijkheden – Otto Kroesen

Inleiding

Hoe moet je de evangeliën lezen als je met Rosenstock-Huessy de overtuiging deelt dat ze elkaar gekend hebben en op elkaar reageren? Die vraag houdt mij bezig als een niet alleen heel boeiende maar ook heel belangrijke vraag. Daarover gaat deze bijdrage. De evangeliën, zo stelt Rosenstock-Huessy vast, zijn de eerste geschriften in de oudheid die met elkaar in dialoog zijn, in een respectvol gesprek met elkaar. Ze willen elkaar niet vervangen – dat was eerder in de oudheid de gebruikelijke gang van zaken. Elke filosofische school doceerde alleen zijn eigen gelijk. Elke religieuze cultus eveneens. De evangeliën daarentegen wijzen elkaar niet af. Ze zeggen niet tegen elkaar “nee, want”, maar in plaats daarvan “ja, maar”. Dat levert weliswaar, zoals elke echte dialoog, schurende waarheden op. Maar juist daarin vullen ze elkaar aan en – dat is het specifieke inzicht van Rosenstock-Huessy: zo brengen ze het kruis der werkelijkheid tot vervulling. Het kruis der werkelijkheid betekent immers dat waarheden die niet zonder meer bij elkaar passen toch een afstemming vinden, maar wel tegen de prijs van liefdevolle zelfontzegging. De waarheden die niet bij elkaar passen moeten tijdig ruimte maken voor hun tegenstem. Ze brengen geen schade toe omdat ze ongelijk hebben, maar omdat ze hun eigen gelijk te lang volhouden. Timing is alles. Timing is afstemming, tijdig van ophouden weten. Dat lukt alleen als je tot de orde geroepen wordt door een hogere waarheid. Dat is de waarheid van het kruis: je maakt de Rechtvaardige tot slachtoffer als je je gelijk te lang volhoudt.

De vier evangeliën focussen ieder op een van de vier cultuurstromen in de oudheid maar die vier cultuurstromen vertegenwoordigen ook telkens een van de vier polen van het kruis der werkelijkheid dat ons bekend en vertrouwd is als: erfenis van het verleden, opdracht van de toekomst, gesprek binnen, effectief handelen buiten. Dat is altijd een ongemakkelijke spanning. Die vier polen van de werkelijkheid schuren met elkaar en moeten toch een zekere afstemming vinden. Ze moeten uit hun voegen gelicht worden om ruimte te maken voor de andere polen. Dat kan alleen als ze zichzelf overwinnen, en weten te stoppen, uit hun voegen gelicht door de Geest van Christus. Als de evangeliën dus telkens een focus hebben op een van de vier polen van het kruis der werkelijkheid is het tegelijkertijd hun bedoeling die ene pool waarop ze zich richten te vertalen naar een of meer van de andere polen en zo terug te voeren naar het centrum van het kruis der werkelijkheid, waaraan ze alle ontspringen.

Waarom de volgorde zo belangrijk is

Wie nu dit onderling gesprek dat de evangeliën zijn, wil verstaan en op zich laten inwerken, ontkomt niet aan de vraag naar de volgorde van het ontstaan van de evangeliën, want je wilt weten wie er nu op wie reageert? Wie heeft meegekeken over de schouder van wie? Wie heeft gemeend iets dat reeds gezegd was ook nog eens anders te moeten zeggen? Je wilt ook weten: waarom heeft deze evangelist gemeend dat te moeten doen? Waarom had hij het nodig voor zijn situatie of doelgroep of historische tijdsgewricht om het gezegde anders te zeggen en te formuleren? Waar is aan te merken dat er gemoduleerd wordt, zodat het eerder gezegde net in een andere toonsoort tot klinken komt?

Het lijkt haarkloverij zulke vragen te stellen. Daarom maak ik het graag inzichtelijk aan een voorbeeld. Daarvoor nemen we Marcus, want met Marcus hebben we dadelijk de belangrijke vraag te pakken of hij nu de eerste van de drie synoptische evangeliën is of de laatste. Marcus heeft geen geboorteverhalen en ook geen opstandingsverhalen. Is hij er mee bekend en heeft hij ze desondanks weggelaten? Of is zijn evangelie slechts een eerste probeersel en hebben Mattheus en Lucas hem verbeterd? Laten we kijken.

Begin en slot van Marcus

Marcus begint direct met de zin “Dit is het begin (of heerschappij, arché in het Grieks) van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God”. Hij gaat ook direct door naar Johannes de Doper en naar de woorden “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde,” bij de doop van Jezus (Marcus 1: 10). Hij eindigt zijn evangelie met de vrouwen die bij het lege graf vandaan vluchten “bevangen door angst en schrik”. Ze waren zo geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden (Marcus 16: 8). Daarna volgt weliswaar nog een relaas van de verschijningen van Jezus, maar dat is een korte samenvatting, misschien wel door Marcus zelf, van wat te lezen staat bij Mattheus en Lucas. De helft van de overgeleverde handschriften eindigt met de vrouwen die bevangen door angst en schrik wegrennen.

Het begin van Marcus benadrukt dus het Zoonschap van Christus. Een leer van Christus ontbreekt, behalve de oproep dat de leerlingen hem moeten navolgen. Steeds in Marcus begrijpen de leerlingen niet wat Jezus bedoeld, en eigenlijk komt dat omdat zij aan de navolging nog niet toe zijn. Ook de vrouwen bij het lege graf beseffen eigenlijk nog niet wat er aan de hand is. Of beter, ze beseffen het wel, ze snappen dat zij nu ook Jezus moeten volgen en de angst voor dood en vervolging afleggen, maar ze vluchten er voor weg.

Men kan aanvang en slot van het evangelie en ook het hele tussenliggende evangelie alleen maar goed begrijpen vanuit het gezichtspunt van de vervolgde gemeente in Rome. Dan vallen alle puzzelstukjes op hun plaats. Nergens meer dan in Rome is het de vraag of de keizer werkelijk de baas is of niet. In Rome is het een revolutionaire daad om meteen aan het begin van je geschrift te stellen dat Jezus Christus de Zoon van God is – en dus niet de keizer, die zich immers ook door iedereen Zoon van God laat noemen. Men heeft vaak veronachtzaamd dat de keizercultus in het Romeinse Rijk dadelijk begint vanaf het moment dat Octavianus de macht overneemt na de moord op Caesar 44 voor Christus. Ook werd het in het keizerrijk steeds meer gebruikelijk een adoptief-zoon op de troon te zetten. Als Marcus schrijft in Rome tijdens de vervolgingen onder Nero wordt de weglating van de geboorteverhalen dus begrijpelijk. Adoptie gaat voor afkomst. Bovendien geschiedt de adoptie van een opvolger tot zoon precies in de formule waarmee Jezus toegesproken wordt als hij uit het water van de doop omhoog komt. De hemel scheurt dan open (!) en de Geest daalt in de vorm van een duif op hem neer en de woorden klinken: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik mijn welbehagen”. In Lucas en Marcus wordt Jezus direct toegesproken in de tweede persoon, – zo deden de Romeinse keizers dat ook met hun adoptiefzonen. Ter vergelijking: Mattheus vertelt het gebeuren in de derde persoon “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde”, Mattheus 3: 17.

Dan het slot van Marcus: het is een merkwaardig slot en misschien vindt hij dat zelf ook wel. Misschien is dat de reden dat er ook nog een tweede slot komt, maar toch wil hij deze woorden even laten hangen: “Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden” (Marcus 16: 8). Zo eindigt het evangelie met een cliffhanger. De vraag wordt zo aan de lezer gesteld: en nu jij! Die vraag was in Rome tijdens de vervolgingen onder Nero zeker aan de orde: durf je voor de waarheid uit te komen en voor het christelijk geloof te staan of zeg je “mijn naam is haas?”

Er is nog meer te noemen dat in deze richting wijst. Ik noem nog één ding: alleen Marcus heeft de gelijkenis van het zaad dat opgroeit tot de oogst: “26En Hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: 27hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. 28De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. 29Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst’” (Marcus 4: 26 – 29). Ook dat sluit aan bij de ervaringen in Rome. Discipelschap betekent navolging en dat betekent vervolging. Zelfs de leer van Jezus omvat alleen maar dit ene gegeven van de navolging en de blootstelling aan vervolging die dadelijk aanstaande is, zoals in deze gelijkenis.

Voortdurend is er angst en onbegrip bij de discipelen van wat op het spel staat. Zij snappen het geheim maar steeds niet van het Messiasschap van Jezus en ook niet van hun eigen discipelschap. Vooral Petrus zit er steeds naast. Een reden die sommigen aanvoeren is, dat Petrus Marcus de opdracht gegeven heeft om het zo op te schrijven, vooral wat betreft zijn eigen falen. Maar Marcus kan ook nog een andere overweging gehad hebben: de volgelingen van Jezus kunnen zich op deze manier herkennen in de discipelen/apostelen. Zij staan voor hetzelfde dilemma. Zij moeten dezelfde beproeving doorstaan. Het is voor niemand gemakkelijk geweest. Dat is bemoedigend.

Deze bevindingen passen goed bij de visie van Rosenstock-Huessy op Marcus. Ook volgens hem is Marcus leerling van Petrus en heeft hij in Rome zijn versie van het evangelie geschreven. In het evangelie van Marcus gaat het erom de rijkscultuur te boven te komen, waarbij de sterren aan de macht zijn en de keizer de uitvoerder is van deze goddelijke machten. Dat is het wereldbeeld van Egypte dat overgenomen is door het Romeinse Rijk, nadat de Senaat terzijde geschoven is.

Ook als men het er over eens is dat Marcus in Rome geschreven is en toegesneden op de Romeinse situatie blijft er onder de Bijbelgeleerden nog een andere discussie gaande over de vraag of Mattheus en Lucas nu na 70 of voor 70 zijn geschreven, na Marcus of voor Marcus.  Daarin speelt het jaar 70, met de verwoesting van de tempel, en belangrijke rol. Volgens velen is ook Marcus kort na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 geschreven. In de evangeliën kondigt Jezus die verwoesting aan, en, zo luidt de redenering dan, dat kan men alleen achteraf bedacht hebben. Maar er zijn ook andere argumenten. Wie Marcus beschouwt als een eerste probeersel, vrij gebrekkig en slordig geschreven, en meer waardering heeft voor de poëtische parallelle zinnen van Mattheus en de mooie Griekse zinnen van Lucas en dus vindt dat Markus verbetering behoeft, heeft ook redenen om het werk van Mattheus en Lucas na Marcus te plaatsen.

Ook voor het jaar 70 waren er belangrijke crises

Zelf zie ik twee belangrijke argumenten, naast een groot aantal minder belangrijke, om deze visie dat Markus een eerste probeersel is niet te delen. De evangeliën zijn immers geen bureau-activiteit maar aan crises ontsprongen. De evangeliën geven een antwoord op een crisissituatie. Ze zijn richtingwijzend. Kruis en opstanding van Christus zijn immers zelf het antwoord op een crisis. Impliciet wordt veelal het nieuwe christelijke geloof vaak toegeschreven aan het intellect, als zou het een uitvinding van het verstand zijn. Of het wordt toegeschreven aan een uit de hemel vallende openbaring, die evenzeer buiten het gevoel van crisis omgaat. In beide gevallen betreedt een nieuw geloof het toneel en dat moet zich dan nog enigszins uitkristalliseren, zoals gedachten zich uitkristalliseren. Zo zou Marcus volgens velen geschreven zijn omdat de eerste generatie christenen bezig was uit te sterven. Mattheus zou dan later geschreven zijn, rond het jaar 80 en zou het product zijn van een joodse-christelijke rabbi die een meer joodse invulling en aanvulling geeft van het evangelie naar Marcus. En tenslotte zou Lucas na Mattheus zijn versie geschreven hebben om de Paulinische gemeenten die inmiddels in de meerderheid waren een passende versie van het evangelie ter hand te stellen. Dat is niet adequaat aan de echte gebeurtenissen en niet adequaat aan de ervarings-dimensie van de openbaring van Christus. Openbaring vindt altijd in crises plaats. Er moet een weg gebaand worden waar er geen weg is. Er wordt een deur geopend. Er gebeurt iets en pas daarna wordt er gedacht. Dat is wat er gebeurt.

Wat is er aan de hand? Weliswaar heeft de wet van Mozes de bedoeling gehad gerechtigheid te brengen, maar in de handen van farizeeën en schriftgeleerden is de wet verstard en alle inspiratie is er uit weg. Met Christus wordt een onmogelijke weg gebaand, namelijk de gerechtigheid en goedheid te realiseren ten koste van en met prijsgave van eigen leven en goed. Wie de dood accepteert als uitkomst van zijn inzet voor het recht, is vrij. Die vrijheid is de opstanding. Christus is weg, de waarheid en het leven, zo in Johannes. Bij Johannes vooral en nog wel het meest is het kruis ook de opstanding zelf. Jezus Christus en de martelaren die hem volgden hebben de wereld herschapen. Dat is geen intellectuele bezigheid. Het is overgave aan een dood die tegelijkertijd overgave is aan een boventijdelijk leven. Het eeuwige leven (aionios, zo Johannes) kan men het best vertalen met “boventijdelijk leven”. Men overwint zijn eigen levenstijd en overschrijdt zijn eigen levenstijd door te leven voor een tijd na zijn eigen levenstijd. Dat is het ware leven en de ware weg. Daarover iets op te schrijven, dat vervolgens bestudeerd kan worden, is zelfs verdacht. Want zie, hoe de Bijbelgeleerden en de Schriftgeleerden van onze dagen daar op hun beurt opnieuw een intellectueel studieobject van maken achter hun bureau en hun laptop. Vanuit die positie reconstrueren ze ook de werkzaamheden van de evangelieschrijvers, die geacht worden net te zijn als zijzelf. Zij knutselen teksten in mekaar.

Het tweede belangrijke waarom Mattheus en Lucas niet na Marcus geplaatst mogen worden is gelegen in het feit dat ook voor het jaar 70 reeds crisis en vervolging het deel waren van de gelovigen. Hoezo zou er pas behoefte zijn om iets op te schrijven als de eerste generatie christelijke gelovigen bezig is uit te sterven? Mattheus en de andere apostelen zijn er na de moord op Stefanus mee geconfronteerd dat de kleine christelijke gemeenschap vervolgd, vermoord en verspreid werd. Zouden die niet behoefte hebben aan het geschreven woord, dat hen ruggengraat heeft? Tot dan toe had immers gedurende ongeveer tien jaar in Jeruzalem een nieuwe ervaring zich in taal uitgekristalliseerd. Nu waren alleen de apostelen nog in Jeruzalem. Is er op dat moment niet behoefte aan een bondige bundel aan preken en onderricht? De vervolgde gelovigen hebben daar zelf behoefte aan om hun motivatie in een benarde situatie levend te houden, en ze hebben er ook behoefte aan om verantwoording af te leggen van de nieuwe weg en de nieuwe waarheid en het nieuwe leven tegenover wantrouwige buitenstaanders. Aan die noodzaak en crisis is Mattheus ontsprongen. Anders gezegd, omdat Rosenstock-Huessy zelf steeds historische crises ziet als geboorteplaats van een nieuwe inspiratie en een nieuwe uitweg, kijkt hij zo ook naar het geboorte-uur van de evangeliën. En wie zo kijkt ontkomt er niet aan er oog voor te krijgen dat Mattheus onverbiddelijk het eerste is.

Mattheus vervult namelijk de eerste taak waar de volgelingen van Christus mee geconfronteerd worden: verantwoording af te leggen tegenover het verstarde joodse wetticisme en daartegenover positie te kiezen. Tegenover het verstarde wetticisme stelt Mattheus de thora van de bergrede en de weg van de Zoon van David naar het kruis, waar hij zich ontpopt tot Zoon van God. Voor Mattheus heeft dat niets te maken met een tweenaturen-leer, maar met gezag en status: Christus regeert over de volken zittende aan de rechterhand van de Vader. Niet alleen voor Johannes, maar ook voor Mattheus zijn “de Heer” en de Vader één.

Ook aan Lucas’ evangelie was behoefte lang voor het jaar 90, het jaar waarvan velen menen dat Lucas omstreeks die tijd geschreven zou moeten zijn. Ook hier gaat het om meer dan een intellectuele ontwikkeling. Wat is de situatie? Paulus vond een ruime toegang bij de Griekssprekende proselieten, de Jodengenoten, mensen die zich aangetrokken voelden tot het geloof van Israëls profeten, omdat die een moreel alternatief gaven voor het immorele moeras van het Romeinse keizerrijk met zijn gewelddadig cynisme. De Griekse steden waren van hun politieke autonomie beroofd. Juist de beste mensen die in morele verantwoordelijkheid een verschil hadden kunnen maken stonden daardoor buitenspel. Echter, zij stonden ook buitenspel binnen de joodse synagoge. Vanwege spijswetten en besnijdenis bleven zij buitenstaanders. Het Griekse woord ecclesia, volksvergadering, is niet toevallig het woord dat ook gebruikt werd voor de “parlementen” van de Griekse steden. Door de joodse inspiratie te volgen, zoals die gestalte kreeg in de weg van Christus, konden diegenen van de leidende klasse die het goed meenden hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Zij namen de vele armen in hun huizen op en voorzagen hen van maaltijden als leden van de huisgemeenten die door Paulus met zijn medewerkers waren gesticht. Zo vormden ze een alternatief politiek lichaam vormen in het Romeinse Rijk. Zij hoefden niet zoals de gemeenten in Palestina bevrijd te worden van het joodse wetticisme, want daaraan hadden zij nooit deel gehad. Zij werden gewonnen voor de joodse inspiratie in de joods-christelijke gemeenten, die daaraan gestalte gaven door praktisch sociaal werk. Maar juist het joodse wetticisme was ook een blijvend probleem, dat hen bleef achtervolgen, zoals het ook Paulus achtervolgde. Eigenlijk waren het toch niet echt Joden ook al spiegelden ze zich aan het leven van de synagoge. Doen ze mee voor spek en bonen als alternatieve half joodse beweging, of representeren zij een serieus alternatief? Paulus verzet zich, met name in de brief aan de Galaten (Galaten  2: 11-14), tegen het wetticistische Jodendom, zelfs als Petrus en anderen er nog compromissen mee sluiten, en hij komt op voor een nieuwe gemeenschap als de weg van Christus onder leiding van de heilige Geest, als lichaam van Christus. Het is van belang dat zij hun tweederangs-status te boven komen. Dat is de uitdaging waar Lucas voor staat. In het evangelie naar Lucas en in de Handelingen van de apostelen laat hij de wording van de vele christelijke gemeenschappen uit de volken als een logische en vanzelfsprekende weg zien. Reeds lang voor het jaar 70 waren deze christelijke gemeenschappen, overigens met veel joodse deelnemers, veruit in de meerderheid boven de specifiek joods-christelijke gemeenten. Maar wilden deze christelijke gemeenschappen zich kunnen handhaven, ook onder de druk en onder de komende verdrukking van Rome – Paulus ziet die reeds vroeg aankomen – dan moeten zij erkenning vinden.

Tegenwicht tegen het joodse wetticisme

Zoals Paulus hard en compromisloos opponeert zelfs tegen Petrus en Barnabas als zij toegeven aan het wetticistische Jodendom van de vele farizeeën en de priesters die lid geworden zijn van de christelijke gemeenten in Palestina, zo heeft hij ongetwijfeld ook Lucas gestimuleerd een bewerking van Mattheus te schrijven. De spanningen in de jonge kerk tussen de Paulinische koers en de koers van het “conservatieve” Jeruzalem is hoog opgelopen. Lucas en Paulus hebben gewild dat de christenen uit de volkeren volwaardig meededen. Na de moord op Jacobus, een van de zonen van Zebedeus, door Herodes (Handelingen 12:2), en na het vertrek van Petrus uit Jeruzalem, heeft Jacobus, de broer van Jezus, de leiding over de gemeente in Jeruzalem overgenomen. In het debat dat volgt geeft hij de doorslag en zegt volgens Handelingen 15: 23: “In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.” Weliswaar gebruikt hij dat inzicht om de gemeente in Jeruzalem te overreden de koers van Paulus en Barnabas goed te keuren en van de gelovig en vroegen naar de broer van Jezus, en uit de volken geen besnijdenis te vragen en de spijswetten achterwege te laten, maar eigenlijk zegt hij ook: mainstream wordt het toch nooit! Dus laat maar toe. Paulus en Lucas moeten daarom met het evangelie van Lucas en met Handelingen wel de oppositie zoeken juist om een dergelijk toch wel geborneerd inzicht open te breken. Lucas is meegereisd naar Rome met Paulus en ongetwijfeld zal hij zijn versie van het evangelie en van de Handelingen van de Apostelen meegenomen hebben.

Ziehier de existentiële nood waar het evangelie van Lucas en de Handelingen uit zijn voortgekomen. Zij volbrengen daarmee de volgende taak, waar de jonge christelijke gemeenten tegen op lopen, namelijk de inspiratie van Israël te vertalen naar de situatie en de problematiek van de welgestelde leiders van de nieuwe christelijke gemeenten. Voor hen is de Christelijke weg aantrekkelijk geworden als alternatieve ecclesia midden in de morele ontaarding van het Romeinse Rijk. Het maakt het mogelijk aan verandering te werken zonder in opstand te komen.

De evangeliën roepen elkaar op

In Rome, in die paar jaren dat Paulus daar vrij kon rondlopen en dat Petrus zich bij hem voegde of misschien reeds daar was, heeft Marcus een evangelie geschreven dat drie dingen tegelijkertijd volbrengt:

1. Hij overbrugt in zijn evangelie de tegenstellingen tussen Lucas en Mattheus. Daarmee maakt hij Lucas en Mattheus tot elkaar niet uitsluitende evangeliën, maar slechts tot uiteenlopende versies van het ene evangelie.

2. Hij laat in zijn evangelie de stem van Petrus doorklinken. We weten niet hoe letterlijk we het moeten nemen dat Petrus Marcus als secretaris had. Hoe zelfstandig heeft Marcus gewerkt? Maar er zijn veel teksten en korte tussenwerpsels die de aanwezigheid van een ooggetuige verraden.

3. Marcus antwoordt met zijn evangelie op een nieuwe nood, de existentiële nood van de vervolgde christelijke gemeente in Rome die net als Christus in de woestijn door de engelen beschermd moeten worden tegen de wilde beesten, en die de neiging hebben zoals de vrouwen bij het graf weg te rennen met de schrik in de benen vanwege de ontdekking dat hun prijsgave aan vervolging en dood het ware leven is, de opstanding zelf. Dit is het uur U, het uur van de waarheid.

In “De Vrucht der Lippen” stelt Rosenstock-Huessy dat de evangeliën niet alleen vier naast elkaar staande gezichtspunten opleveren. Meer dan dat: ze roepen elkaar op. Want ze antwoorden op de “tekortkomingen” van elkaar. Dat woord tekortkomingen moet tussen aanhalingstekens, want misschien zou ik beter kunnen zeggen eenzijdigheden en ook dat is nog niet het goede woord. Zij rollen als het ware telkens in een andere problematiek, waardoor ze op een ander front in het kruis der werkelijkheid antwoord moeten geven.

1. Mattheus komt op voor de verworpen Rechtvaardige tegenover het tot een wij-groep verstarde joodse wetticisme. Hij komt op tegen het stam-achtige in Israël, aldus Rosenstock-Huessy.

2. Lucas destilleert de Geest uit het joodse wetticisme en de daarmee verbonden tempeldienst. Zacharias in de tempel kan niet meer spreken. Zo is de veelzeggende start van Lucas’evangelie. De Geest van Israël wordt nu vertaald naar de nieuwe werkelijkheid van de gevaarlijke weg die de christelijke gemeenten door Paulus gesticht volgen in het vervallen Romeinse Rijk. Lucas en Handelingen moet men lezen als verbonden met elkaar. Zo doseert Lucas de Geest van Israël in het leven van de volken zoals een arts zijn medicijnen.

3. Marcus overbrugt de tegenstellingen tussen Mattheus en Lucas door de uit christenen en joden bestaande christelijke gemeente in Rome ruggengraat te bieden in de vervolgingen onder Nero en daarna. Tegenover de Rijksideologie van de Zoon van de sterrenmachten komt het geloof te staan in de gemartelde Christus als adoptief Zoon van de God die boven de sterren verheven is en die de demonie van het versteende Romeinse Rijk verdrijft door middel van de gemeente die nu een vervangende tempel is, gemaakt van levende bouwstenen. Marcus keert zich tegen de Rijksideologie in naam van de lijdende Christus.

4. Johannes maakt deze ervaringen tot een algemeengeldig inzicht. Hij schrijft een gedicht over Jezus Christus als het Woord van den beginne, een woord dat verteld wordt tot het einde der tijden en meer verhalen omvat dan alle boeken kunnen omvatten. Elk mensenverhaal zit erin. Zo Rosenstock-Huessy. Maar op Johannes ga ik hier verder niet in. Dat komt nog.

Zo roepen de evangeliën elkaar op. De veranderende historische context maakt een vertaling van het eerdere evangelie naar een nieuwe pool van het kruis der werkelijkheid onontkoombaar.

Slechts een mening? Of gesteund door tekstanalyse.

Maar vind dat nu ook grond in de teksten? Kunnen we met enige zekerheid zeggen dat Markus na Mattheus en zelfs na Lucas komt, of bleef dat een kwestie van willekeurig rondzingende interpretatie? Wat zegt daarover de nieuwtestamentische wetenschap? Ik vond dat ik daar maar eens goed moest induiken, zo goed als een niet-beroepsmatige nieuwtestamenticus dat maar kan doen. Dat levert best een groot aantal bladzijden op en daarom lever ik in deze nieuwsbrief alleen een eerste introductie met verwijzingen naar de verschillende hoofdstukken in het Duits, Nederlands en Engels op mijn eigen website: https://temporavitae.nl/nl/de-vier-evangelien/

De lezer vindt daar de volgende 8 hoofdstukken:
1. De vier evangeliën op het kruispunt in de geschiedenis
2. Butler over de prioriteit van Mattheus
3. Farrer over de overbodigheid van een bron “Q” voor Mattheus en Lucas
4. De visie van Goulder op Lucas
5. Farmer: Markus na Lucas
6. Een evangelie uit twee
7. Robinson over de datering van de evangeliën, allemaal voor 70
8. De boodschap van Marcus – voor wie en waarom?

Eigenlijk is het laatste hoofdstuk het belangrijkste, het meest centrale en het langste, vijfentwintig bladzijden A4. Het bovenstaande is min of meer een samenvatting daarvan. Het gaat in op de vraag wat de boodschap is van Marcus. Ook mensen die wel bereid zijn toe te geven dat op grond van louter tekstanalyse Marcus van latere datum zou kunnen zijn, en dat dat zelfs waarschijnlijk is, zijn vaak van mening dat het op inhoudelijke gronden niet aannemelijk is: een kort evangelie, weglating van belangrijke stukken, spreektaal, slordige stijl. Maar de stukken die voorafgaan aan dit langere stuk van 25 bladzijden A4, meestal niet meer dan 10 bladzijden A4, gaan juist in op de tekstanalyse. De vraag is daar: wat voor gronden zijn er om Marcus later dan wel juist eerder te plaatsen? En is Lucas dan nog weer eerder geschreven dan Marcus of pas later, na Marcus? Zijn alle vier de evangeliën misschien al voor het jaar 70 geschreven, zoals Robinson stelt.

Kort duid ik de inhoud aan:

1. De vier evangeliën op het kruispunt in de geschiedenis
Een kort inleidend deel als introductie op het geheel.

2. Butler over de prioriteit van Mattheus
Reeds in 1951 heeft Butler een boek geschreven over de prioriteit van Mattheus. Mattheus is volgens hem eerder geschreven dan Marcus en Lucas en hij beargumenteert dat op grond van vergelijkende tekstanalyse van deze evangeliën. Het is ook een kennismaking voor de lezer met een bepaalde manier van argumenteren, zoals onder nieuwtestamentici gebruikelijk. Het gaat namelijk nooit om een sluitend een onomstotelijk bewijs maar om een netwerk van betekenissen en een opeenstapeling van aanwijzingen.

3. Farrer over de overbodigheid van een bron “Q” voor Mattheus en Lucas
Farrer is bekend geworden doordat hij weliswaar Marcus als eerste evangelie blijft zien, maar toch ook van mening is dat Lucas een bewerking is van Mattheus. Lucas heeft dus Marcus en Mattheus voor zich gehad, maar niet een afzonderlijke bron, waaruit Mattheus en Lucas samen zouden putten, met name voor de woorden van Jezus.

4. De visie van Goulder op Lucas
Goulder zit op het spoor van Farrer en is in dat spoor verder gegaan. Hij handhaaft dus de prioriteit van Markus en heeft vooral de relatie tussen Mattheus en Lucas onderzocht. Zijn stelling is bovendien dat de evangeliën vanaf het eerste begin gebruikt zijn voor de liturgische bijeenkomsten van de gemeente. Lucas en Mattheus zouden parallel gelezen moeten worden met de joodse leesroosters.

5. Farmer: Markus na Lucas
Het boek van Farmer uit 1964 heeft op velen indruk gemaakt. Ook de Rosenstock-Huessy Gesellschaft heeft er in 1965 een conferentie aan besteed voor een select gezelschap. Volgens Farmer heeft Marcus uit twee bronnen geput, Mattheus en Lucas, en ook kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vastgesteld worden dat dat ook inderdaad zo is. De lezer moet daarbij in aanmerking nemen dat een onomstotelijk logisch bewijs niet te leveren is. Het gaat altijd om een netwerk van en een opeenstapeling van argumenten en aanwijzingen. Farmer heeft met een team en een wereldomspannend netwerk van nieuwtestamentici in de zeventiger en tachtiger jaren veel conferenties belegd over de zogenaamde synoptische kwestie. Alle verschillende hypothesen en theorieën over het ontstaan van de evangeliën en de onderlinge samenhang zijn in die conferenties voor het voetlicht gekomen, waarbij Farmer en zijn team steeds ook hun onderzoek in de discussie ingebracht hebben. Dat heeft de vanzelfsprekendheid waarmee een tijd lang Marcus als eerste evangelie werd gezien danig ondergraven. Veel theologen en ook nieuwtestamentici die minder diep in de problematiek gedoken zijn blijven overigens deze oude vanzelfsprekendheden nog meeslepen in hun geestelijke bagage (en erger, in hun preken).

6. Een evangelie uit twee
Het team rond Farmer heeft in 2002 een boek doen verschijnen over de wijze waarop Marcus gebruik gemaakt heeft van Mattheus en Lucas. Het boek verschaft een zeer gedetailleerde analyse, tekst voor tekst, en probeert op basis daarvan te reconstrueren wat Marcus met Lucas’ en Mattheus’ teksten gedaan heeft en hoe zich dat verhoudt tot andere interpretaties. De titel van het boek is “One Gospel from Two” en het omvat natuurlijk meer dan kort weer te geven is. Een belangrijk argument dat zij aanvoeren is dat van de “Marcan overlay”. Daarmee bedoelen zij dat Markus een netwerk heeft van woorden en uitdrukkingen en accenten, dat alleen bij Marcus te vinden is. Mede daarop baseren zij hun stelling dat Markus het derde evangelie is, zoals ook Farmer doet. Immers, als Mattheus en Lucas gebruik gemaakt zouden hebben van Marcus, dan zou je verwachten dat iets van dit netwerk aan typische Marcus uitdrukkingen ook in die evangeliën te vinden is. Quod non.

7. Robinson over de datering van de evangeliën, allemaal voor 70
Robinson had reeds het plan om een commentaar te schrijven op Johannes, waarin hij wilde betogen dat het evangelie van Johannes zijn oorsprong heeft voor het jaar 70. Het zou geschreven zijn door… Johannes, de broer van Jacobus, de zonen van Zebedeus. Het is volgens Robinson mogelijk dat Johannes zijn evangelie pas aan het eind van zijn leven afgerond heeft, maar zijn traditie en overlevering is die van een ooggetuige. Echter, om die visie kracht bij te zetten heeft hij ook een boek geschreven over de datering van alle nieuwtestamentische geschriften. Daarin betoogt hij en onderbouwt hij dat alle evangeliën hun oorsprong hebben voor het jaar 70, nog voor de val van Jeruzalem.

8. De boodschap van Marcus – voor wie en waarom?
In dit stuk weef ik de in 1 tot en met 7 naar voren gebrachte analyses tot een geheel. Ze helpen om een historisch-theologische visie op Marcus te geven, maar eigenlijk op alle drie synoptische evangeliën. Maar daarop hoef ik verder niet in te gaan, want daarvan geeft de onderhavige tekst zelf reeds een samenvatting. Ik vond het echter noodzakelijk om ook op de tekstanalyse in te gaan om na te gaan hoe ver men ook daarmee komt wanneer men als een soort detective de sporen zoekt van de historische gang van zaken. Over “detective” gesproken, het is treffend dat juist de Engelse nieuwtestamentici met dit soort minutieus onderzoek begonnen zijn en er ook steeds het voortouw in genomen hebben.

Vervolg

Op het Johannes-evangelie ben ik nog onvoldoende ingegaan. Bij een andere gelegenheid hoop ik dat te kunnen doen. Ook is er meer te zeggen over de behandeling van Mattheus door Lucas en van hen beiden door Marcus, dan ik hier heb kunnen doen. Een volgende taak is nog deze inzichten ook in meer strikte relatie te brengen met de visie van Rosenstock-Huessy op de vier cultuurstromen van de oudheid. Hij ziet de evangeliën immers op het kruispunt van die vier, de rijkscultuur, de stamcultuur, Israël en Griekenland. Dus, wordt vervolgd.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments