De vier evangeliën op het kruispunt in de geschiedenis

Wie zich verdiept in de geschiedenisopvatting en de taalfilosofie van Rosenstock-Huessy komt na verloop van tijd tot de ontdekking hoezeer de evangeliën en meer precies de naam Jezus Christus daarin een centrale plaats innemen. Wie zich vervolgens in diens opvatting van de evangeliën verdiept ontdekt spoedig dat die weinig gemeen heeft met de meer gangbare bijbelinterpretaties. Nu is het helemaal geen pre om mee te bewegen met gangbare opvattingen. Meestal zijn dat niet de beste. Maar je zou toch willen zien dat er een aansluiting is met de discussies en gesprekken binnen de nieuwtestamentische wetenschap. Dat lijkt nauwelijks het geval.

Nauwelijks! Er is wel in de tweede helft van de 20e eeuw een heftig debat in de nieuwtestamentische wetenschap gevoerd over de herkomst, de datering, de volgorde van ontstaan en de betekenis van de evangeliën. Inmiddels is dat debat enigszins afgekoeld, maar er zijn nog wel publicaties waarin het nagloeit. Dit debat levert een aantal aanknopingspunten op voor een gesprek met de geschiedenisopvatting en taalopvatting van Rosenstock-Huessy. Voor de nieuwtestamentische wetenschap en de theologie in het algemeen leidt dat tot een dieper verstaan van de inbedding van de Bijbelse geschriften in de geschiedenis van de toenmalige samenlevingen, zowel in Israël als in het Romeinse Rijk. Dankzij de historische inzichten van Rosenstock-Huessy ziet men scherper hoe de evangelieschrijvers in hun samenleving een nieuwe weg banen.

Omgekeerd geeft de studie van de evangeliën ook scherper inzicht in de geschiedenisopvatting van Rosenstock-Huessy. Het geeft ook meer kleur en invulling aan dit werk “De Vrucht der Lippen”. Want in dit werk levert Rosenstock-Huessy namelijk wel een referentiekader, maar de afzonderlijke evangeliën en verhalen, redevoeringen en genezingen op hun beurt bevestigen dat referentiekader, en preciseren dat ook. Soms corrigeren ze ook een wat te snelle invullingen en interpretaties die Rosenstock-Huessy in dit werkje naar voren brengt. Tenminste, deze wederzijdse uitwisseling wordt mogelijk als inderdaad, zoals Rosenstock-Huessy stelt, de evangeliën hun maatschappelijke en historische context vinden in de crisis van het Romeinse Rijk in de aanloop naar en tijdens het regime van Nero.

Hoe verhoudt zich dat debat tot de evangelieopvattingen van Rosenstock-Huessy (1)? Dat is de hoofdvraag. De volgende vraag is: wat betekent dat enerzijds voor het verstaan van de evangeliën en anderzijds voor het verstaan van het werk van Rosenstock-Huessy (2)? En ten slotte is de derde vraag: wat betekenen deze beide vragen en hun mogelijke antwoorden voor de actualiteit van het huidige tijdsgewricht (3)?

Om die drie vragen te beantwoorden is het nodig dit debat over de volgorde en het moment van opschriftstelling van de vier evangeliën wat grondiger te volgen. Opnieuw dienen zich daarbij drie vragen aan: wat is uit de teksten zelf op te maken over het ontstaan van de evangeliën (1)? Kan dat wat de teksten te zeggen hebben, wat ze ook te zeggen hebben in reactie op elkaar, in een bepaalde historische context geplaatst worden (2)? Hebben zij in die context ieder een eigensoortige boodschap, of althans een specifieke nadruk in de wijze waarop zij het verhaal verder vertellen (3)?