In 1955 heeft Farrer een essay geschreven dat indruk gemaakt heeft en waarmee hij bekend geworden is, met als resultaat de zogenaamde “Farrer-hypothese” [1]. Waarom, zo vraagt hij zich af, wordt meestal een gemeenschappelijke bron aangenomen, waar zowel Mattheus als Lucas uit geput zouden hebben? De beantwoording van die vraag hangt samen met een andere vraag, namelijk of Lucas alleen maar een soort redactierol had, of dat hij ook zelf een boodschap had. In het laatste geval zou hij Mattheus bewerkt kunnen hebben en geactualiseerd om zijn eigen boodschap, of beter, zijn variant van die boodschap over te brengen. Is dat het geval dan kan de hypothese Q in de prullenbak.
Die vraag stelt Farrer tegen de achtergrond van de twijfelachtigheid van Q als zodanig. Want als twee teksten erg op elkaar lijken is het niet de meest voor de hand liggende gedachte om ze te herleiden tot een gemeenschappelijke derde bron. Temeer niet als die derde bron in het geheel niet is overgeleverd zodat het bestaan ervan zelf hypothetisch is. De eerste gedachte is veeleer de ene tekst uit de andere af te leiden. Bovendien is het onvoorstelbaar dat Q als louter bron van woorden met weglating van de kruisiging aan de kerk overgeleverd zou zijn vanuit de betrokkenen van het eerste uur, die allemaal Joden waren. Je kunt, zo Farrer, het verhaal van de kruisiging niet weglaten en alleen de opbouwende woorden van Jezus overleveren, juist niet als jood. Je zou je op de een of andere manier moeten excuseren voor de kruisiging, tenzij je het kruis juist in het centrum zet, zo Farrer.
Nu gaat ook Farrer ervan uit dat Markus het oudste is en dat Lucas en Mattheus in ieder geval Marcus als gemeenschappelijke bron hebben. Dat, zo zegt hij, dekt alle feiten. Een andere mogelijkheid neemt hij niet eens in overweging. Maar dan nog springt in het oog dat Lucas allerlei wijzigingen in Marcus aanbrengt en daar bij ook allerlei wijzigingen die hij gemeenschappelijk heeft met Mattheus. Heeft hij dan toch niet ook Mattheus gelezen? Dan is Q niet nodig.
Wat zijn de argumenten die gewoonlijk moeten onderbouwen dat Lucas Mattheus niet gelezen heeft?
1. Lucas laat belangrijke stukken uit Mattheus weg.
2. Wie Lucas met Mattheus vergelijkt zal zien dat bepaalde teksten van Lucas een meer oorspronkelijke indruk maken.
3. Als hij Mattheus heeft gebruikt, dan heeft hij veel teksten van Mattheus in kleine stukjes gehakt en over zijn tekst verdeeld.
4. De volgorde van verhalen bij Lucas is minder coherent.
5. Het materiaal dat Mattheus invoegt in de volgorde van Marcus wordt door Lucas vaak op een andere plek geplaatst.
Daar heeft Farrer het volgende tegenin te brengen:
1. Hier is de vraag beslissend of Lucas alleen maar compileert en redigeert of dat hij ook een eigen constructie en een eigen verhaal te vertellen heeft.
2. Op zich klinkt deze regel plausibel, maar toegepast op concrete teksten is niet uit te maken welke de meest oorspronkelijke zijn. Er zijn altijd redenen te vinden waarom dat wel of niet zo zou zijn.
3. Ook Mattheus gebruikt Marcus op eigensoortige wijze. Waarom zou Lucas dat dan niet doen?
4. Coherent en overtuigend of niet, de vraag is ook hier of Lucas hier een eigen bedoeling heeft met deze veranderde indeling.
5. Het is waar dat Lucas materiaal dat Mattheus in Marcus ingevoegd heeft op zijn beurt uit Marcus weg laat, aldus Farrer, maar het gaat er opnieuw om: heeft hij daar een reden voor?
Farrer wijst erop dat de herordening die Lucas aanbrengt vaak net een ander aspect van het verhaal laat zien. Door een nieuwe combinatie van de teksten brengt hij zijn bijzondere verhaal naar voren. Dat is niet vreemd. Het is de standaard praktijk in de joodse traditie van synagogale preken en van verhalen vertellen. Wat opvalt is volgens Farrer de wendbaarheid van Lucas. Zijn spiritualiteit heeft zijn oorsprong in de joodse vroomheid, maar werkt zich een weg naar de Griekse agora. Een voorbeeld is het “Onze Vader”, Mattheus 6:9-15. Voor Mattheus staat dat in de context van vragen en ontvangen: je ontvangt wat je nodig hebt. Maar Mattheus gaat dan in vers 16, na het “Onze Vader”, verder over vergeven: wie de ander niet kan vergeven wordt ook zelf niet vergeven. Lucas echte pakt in zijn versie vooral het vragen en ontvangen op en werkt dat uit in Lucas 11:1-12. Als een vriend om drie broden vraagt midden in de nacht omdat hij bezoek gekregen heeft, wie zal hem dan die broden weigeren? Het accent verschuift van vergeving naar behulpzaamheid. Daar zijn veel meer voorbeelden van te geven, zodat Farrer concludeert, dat juist het feit dat Lucas Mattheus kent ook zijn andere wending en verschillende interpretatie verklaart. Zo geeft ook de veldrede van Lucas weliswaar een verkorte versie van de bergrede van Mattheus, maar uit die bergrede haalt Lucas wel juist alles naar voren wat te maken heeft met zelfverloochening, nederigheid en generositeit. Zo heeft hij zijn eigen agenda.
Farrer laat verder in zijn artikel eerst zien wat Mattheus wil met zijn opeenvolging van verhalen en daarna laat hij zien wat Lucas daarmee op zijn beurt doet. Meerdere mensen hebben reeds geconstateerd dat bij Mattheus vijf grote reden van Jezus een soort markeringspunt vormen in de tekst. Vijf keer komen daarbij de woorden voor: “Toen Jezus deze rede beëindigd had…” en zo heeft men vanzelf gedacht aan de vijf boeken van Mozes. Wil Mattheus daarvan een actualisatie geven? Dat zou kunnen. Overigens onderscheidt Farrer zes redes van Jezus en sluit zo naast de vijf boeken van Mozes ook Jozua in. Dat leidt voor Mattheus tot het volgende resultaat.
1. Genesis. Het geslachtregister waarmee Mattheus begint is te beschouwen als de eerste grote rede. Immers, Mattheus 1, het hoofdstuk van het geslachtregister, begint met het opschrift: “Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham”. Voor het woord afstamming staat in het Grieks het woord “genesis”, letterlijk de “wording” of “voortbrenging” van Jezus Christus. Het geslachtregister is natuurlijk niet een rede die je kunt beëindigen met de genoemde tekst “Toen Jezus deze rede beëindigd had…”. Maar het opschrift is duidelijk genoeg.
2. Exodus. Het is vanzelfsprekend dat de Bergrede bij Mattheus overeenkomt met de wetgeving op de Sinaï en dus in de context van de exodus staat. De doop door Johannes de Doper in de woestijn staat voor de uittocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee in exodus. Daarna komt de verzoeking in de woestijn, en de drie verzoekingen van Jezus komen overeen met de drie verzoeking waar Israël in de woestijn aan bloot stond. Dan volgt de wetgeving bij de Sinaï. Aan het einde van die rede klinken dan voor het eerst de woorden “Toen Jezus deze rede beëindigd had…”. Vanaf nu weten we dat dat een markeringspunt is.
3. Leviticus. In Mattheus 10 vindt de aanstelling en de uitzending van de 12 apostelen plaats. Dat is een parallel met de aanstelling van de priesters en levieten in het boek Leviticus van Mozes.
4. Numeri. In Mattheus 13 gaat het over het aantal en de omvang van de oogst en ook over de vraag wie wel en niet geschikt is om toegelaten te worden tot het Koninkrijk der Hemelen, zoals dat ook in Numeri plaatsvindt bij de toegang tot het beloofde land.
5. Deuteronomium. Heel het bijbelboek Deuteronomium (letterlijke betekenis: tweede wet) is een lange rede uitgesproken door Mozes. Het is een afscheidsrede met het oog op de toekomst: hoe moet Israël gaan leven in het beloofde land? Daarmee is het zelf ook al een actualisering en bedoeld tot nieuwe inspiratie. Het Deuteronomium van Mattheus is te vinden in Mattheus 17 en 18, in de verheerlijking op de berg en de nederigheid van degenen die in de toekomstige gemeente de leiding zullen hebben.
6. Jozua. Het boek Jozua gaat over de verovering van het land en de val van Jericho. Mattheus’ Jozua is te vinden in Mattheus 24 en 25, de rede over de laatste dingen en de val van Jeruzalem. Zo trekt het nieuwe Israël het beloofde land binnen.
Dat is de hexateuch van Mattheus, telkens beëindigd met hetzelfde refrein “Toen Jezus deze rede beëindigd had…”. Wat doet nu Lucas daarmee? Hij laat die wel staan, maar in enigszins afgezwakte vorm en hij brengt zoveel mogelijk onder bij nummer 5, bij Deuteronomium. Waarom? In de eerste plaats heeft de vroege christelijke gemeente het evangelie zelf beleefd als een Deuteronomium, een herhaling en verlevendiging en ernstig nemen van de “eerste” wet zoals Mozes die reeds had gegeven in de eerste vier boeken. Deze tweede wet, het evangelie, voegt Geest toe aan op zich dode en vormelijke wetspraktijken. Dat is ook wat Mozes doet in de lange rede die het boek Deuteronomium is: een verlevendiging en actualisering van het bekende verhaal in een nieuwe situatie. Ook in Deuteronomium gaat het om generositeit, nederigheid en compassie. Zo Farrer. Ik zou daar nog aan toevoegen: de woorden van Jezus in Lucas zijn bovendien allemaal onderweg gesproken. Jezus is steeds op weg, zoals de christelijke gemeente op weg is. Tenslotte heet de gemeente ook: de Weg, bij Lucas (Handelingen 2:42-47, 4:32-36 en 5:12-16). Op weg naar Jeruzalem spreekt Jezus woorden die geen ritueel zijn maar die hem wat kosten. Zo trekt de gemeente van gelovigen uit de volken in het voetspoor van Lucas en van Paulus het beloofde land van de toekomst binnen.
In het boek Deuteronomium is het Shema het hart van de zaak. In Deuteronomium 5 en 6, in de vlakte van Moab (Deuteronomium 1: 1-5), geeft Mozes een recapitulatie van de wet, met name de 10 geboden en daarop volgt het Shema. Het Shema is het gebed dat de vrome Jood uitspreekt op het uur van zijn sterven. Het luidt als volgt:
Hoor Israël, de HEER is onze God, de HEER is de enige. (Deuteronomium 6:4). Heb daarom de HEER, uw God, lief, met hart en ziel en de inzet van al uw krachten. (Deut. 6: 5, 11:13) en Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. (Deut. 6:9, 11:20).
Er zijn twee momenten waar dit Shema in Lucas’ verhaal tot klinken komt. Dat is in het begin van het lange middenstuk, als Jezus negen hoofdstukken lang op weg gaat (10:25-28), op weg naar de laatste confrontatie in Jeruzalem en aan het einde van deze reis van negen hoofdstukken voordat hij Jeruzalem binnentreedt (18:18-30). In het eerste geval vraagt een farizeeër hoe hij het eeuwige leven kan beërven en in het tweede geval vraagt een rijke man hoe hij het eeuwige leven kan beërven. In het antwoord, God boven alles en de naaste als uzelf, komen de woorden van het Shema tot leven. Tegelijkertijd laat het verhaal zien dat Jezus zelf ook die Weg gaat, de Messiaanse weg van het leven met toewijding leven en er niet je eigendom van maken. Vol van Geest de Weg gaan, dat is het Deuteronomium van Lucas.
Maar Farrer geeft ook aan waar de andere boeken van Mozes in Lucas’ vertolking van Mattheus opduiken. Lucas brengt wel een accentverschuiving, maar niet een hele andere boodschap dan Mattheus. Ook dat wil hij laten merken.
Genesis: ook Lucas heeft een geslachtregister. Hij neemt daarin de thema’s van Mattheus op, maar ontwikkelt die op eigen wijze. Hij gaat terug tot Adam, noemt zes reeksen van zeven namen, zodat we nu aan het begin staan van de zevende historische periode. De periode van de weg is dan de laatste week van de wereldgeschiedenis. Dat is waar we nu staan. Nu moeten eerst de volken binnen treden. Zo zegt Lucas over de val van Jeruzalem: “24De inwoners zullen omkomen door het zwaard of overal heen in gevangenschap worden weggevoerd, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door de volken, tot hun tijd voorbij is” (Lucas 21: 24).
Exodus: Lucas voegt aan het exodus-motief van de verzoeking in de woestijn toe de verwerping van Jezus in Nazareth en de wonderbare visvangst van Petrus. Die kunnen parallel gelezen worden met de rede van Stefanus, waar Stefanus de verwerping van Mozes door zijn broeders in Egypte ter sprake brengt en de brandende braamstruik waar Mozes zijn opdracht krijgt (Handelingen 7:23-35).
Leviticus: Lucas verhaalt in hoofdstuk 6 van de aanstelling en uitzending van de twaalf discipelen. De rede vanaf de berg bij Mattheus wordt bij Lucas een rede na de afdaling van de berg (waar deze aanstelling van de discipelen plaatsvond) in de vlakte. Bij Mattheus was de bergrede de exodus, bij Lucas hoort het bij Leviticus. De discipelen worden in de veldrede van Lucas aangesproken en uitgezonden.
Numeri: de uitzending van de twaalf is de Numeri van Lucas. Daar hoort ook de uitzending van de zeventig bij in hoofdstuk 10. Zoals in Numeri de telling van de twaalf stammen in Numeri 1 en 2 gevolgd wordt door de aanstelling van de zeventig oudsten in Numeri 11, zo worden in Lucas 10 de tweeënzeventig leerlingen uitgezonden die zullen helpen bij de oogst. In Numeri 10, dus tussen de telling van de twaalf stammen en de aanstelling van de zeventig oudsten trekt het volk Israël plechtig en resoluut uit de woestijn Sinaï weg om het beloofde land te veroveren. Daarmee correspondeert in Lucas de beslissing van Jezus om naar Jeruzalem te trekken, die ook staat tussen de uitzending van de twaalf discipelen en de uitzending van de zeventig discipelen: “51Toen de tijd naderde dat Jezus in de hemel zou worden opgenomen, ging Hij vastberaden op weg naar Jeruzalem“ (Lucas 9: 51). Hier valt op dat het woord “opgenomen” gebruikt wordt. Datzelfde woord wordt in het oude testament gebruikt voor Mozes en Elia die ook niet zomaar sterven maar ten hemel opgenomen worden.
Jozua: kruis en opstanding zijn bij Lucas de verovering van Jeruzalem.
Zo komt Farrer tot de conclusie dat Lucas in zijn versie van het verhaal eigensoortige symbolische betekenissen integreert. Hij is niet louter aan het redigeren en kopiëren. Omdat hij daarbij Mattheus voor zich gehad heeft, telkens op hem reageert en als het ware het contrapunt ten opzichte zijn tekst neerschrijft, is een extra bron Q niet nodig.
Het artikel van Farrer met deze strekking heeft kennelijk indruk gemaakt. Het wordt steeds weer aangehaald in de literatuur en misschien hebben de woorden “to dispense with Q” daarbij wel de meeste indruk gemaakt, vanwege hun nuchtere en louter vaststellende uitdrukkingswijze: nergens voor nodig.
[1] Farrer, A.M., 1955. On Dispensing With Q; D. E. Nineham (ed.), Studies in the Gospels: Essays in Memory of R. H. Lightfoot (Oxford: Blackwell, 1955), pp. 55-88, © 1955 Basil Blackwell, op de website van Mark Goodacre: https://www.markgoodacre.org/Q/farrer.htm, 30-3-2026