Sociale verandering

… en cross-cultureel entrepreneurship

Waarom mislukken zoveel ontwikkelingsprojecten in het zuiden? Waarom komt ondernemerschap zo moeizaam van de grond? Waarom wordt er in Afrika zo weinig geproduceerd? Naast mijnbouw en sommige landbouwproducten exporteert Afrika weinig. Afrikaanse bedrijven die iets produceren richten zich vaak op externe markten in plaats van op hun eigen markt. Waarom? De Afrikaanse elite investeert vaak liever buiten Afrika dan in Afrika. Waarom? Mijn stelling is dat dat zijn oorzaak heeft in de samenlevingstructuur van Afrikaanse landen. Twee systemen liggen met elkaar overhoop en beïnvloeden elkaar op gecompliceerde manieren. Vaak halen ze zelfs het slechtste uit elkaar naar voren in plaats van elkaar aan te vullen en van elkaar te leren. Aan de ene kant is er het traditionele systeem van levenslange solidariteit met familie en naaste vrienden en verticale cliëntelistische netwerken die reiken tot in het overheidsapparaat. Aan de andere kant is er het moderne systeem van de rechtsstaat, een mix van competitie en samenwerking in het maatschappelijk middenveld, en open netwerken. Dat is niet alleen in Afrikaanse landen (in verschillende versies en mate) het geval, maar in veel meer delen van de wereld. Maar in Afrika is het wel heel sterk aanwezig. Als we de geschiedenis bekijken met een grote telescoop wordt daar ook wel de achtergrond van zichtbaar: in de grote uitgestrektheid van Afrika was het (behalve aan de Nijl) eigenlijk niet goed mogelijk duurzaam hiërarchische rijksculturen te vestigen. Er zijn vele pogingen geweest, maar anders dan in China en India hebben die zich niet duurzaam kunnen handhaven. Daarom is de samenleving in Afrika meestal kleinschalig gebleven, en in die samenleving voorzagen clan een stam prima in de behoefte aan samenwerking en overleven. Die hechte dorpssamenleving is vaak kapotgemaakt door westerse invloed, terwijl een westers systeem met zijn typische rolverdeling tussen staat en Civil society ook niet goed van de grond komt. Zo maken vaak Afrikaanse landen van twee samenlevingsystemen het slechtste mee.

Typische gang van zaken bij een ontwikkelingsproject

Wat voor een ontwikkelingsproject geldt is vaak ook zo bij samenwerking tussen ondernemingen in het westen en in Afrika. Als er geld is voor een project of voor een start-up bedrijf wordt er een plan gemaakt voor de komende drie of vier jaar. Met kennis en kunde wordt het bedrijf in Afrika ondersteund vanuit Nederland (bijvoorbeeld). Er worden Afrikaanse stafleden aangetrokken en de bedrijfsstrategie wordt uitgestippeld. Men kan proberen groot te beginnen om impact te hebben. Vaak gaat het om kleine initiatieven in de hoop dat een klein bedrijf kan groeien. Als het bij capaciteitsopbouw alleen maar om kennis en kunde ging, dan zou dat allemaal geen probleem zijn. Maar er is verschil tussen weten en beseffen. Er is verschil tussen kennis hebben en ook geloven in wat je weet. Een ondernemer moet vaak van heel veel verschillende dingen iets weten en snel kunnen schakelen en op verschillende velden spelen. Een boer moet iets van chemie begrijpen om de juiste bemesting te kunnen gebruiken. Dezelfde boer moet echter ook iets van mensen begrijpen. En hij moet inspelen op de markt. Voortdurend staat de boer op een kruispunt en er wordt van alle kanten aan hem getrokken.

Niet alleen dat is het geval, maar een ondernemer in een ontwikkelingsland heeft ook te maken met een heel andere samenleving. Dat beïnvloedt ook de perceptie van elkaar. De westerse en de niet-westerse partner nemen elkaar daarom op een verschillende manier waar. De westerse partner is altijd op zoek naar een… partner. Ik gebruikte het woord al automatisch. Met het woord partner is gegeven dat je iemand zoekt op gelijk niveau met wie je samenwerkt in wederzijdse verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid. Laat de Nederlandse partner aan het begin de sterkste zijn, geen probleem, na verloop van tijd moet de niet-westerse partner het project of de onderneming overnemen en zelfstandig verder gaan. Zo is de gedachte.

Maar vaak heeft de niet-westerse “partner” een andere waarneming. Als hij of zij deel is van een land waarin verticale netwerken en patronage onontbeerlijk zijn om verder te komen, dan is zij of hij onvermijdelijk op zoek naar een paraplu om onder te schuilen. Zo steekt de samenleving in elkaar van hoog tot laag, en van links tot rechts. Als je niet iemand hogerop in de hiërarchie kunt mobiliseren om een vergunning te regelen, of om een onterechte boete uit de wereld te helpen en dies meer, dan komt de onderneming niet goed van de grond bij gebrek aan bescherming, zo niet ook door regelrechte tegenwerking. Projectpartners uit een dergelijke samenleving zullen in de westerse “partner” dan ook niet zozeer de partner zien, als wel de paraplu die ze nodig hebben. Iemand met die waarneming neemt dan ook vaak de houding aan van “zegt u maar wat er moet gebeuren”. De ander heeft immers het geld en de macht en weet dingen in beweging te brengen. Als zo iemand jou vraagt wat jij nu eigenlijk wilt, dan moet je er rekening mee houden dat dat niet meer dan een beleefdheid is.

Door deze verschillende waarneming komen er problemen bij de overdracht. De westerse partner wil immers dat de niet-westerse partner zelfstandig met de onderneming of het project verdergaat. Alle voorwaarden zijn er misschien; het project of de onderneming zou zelfvoorzienend kunnen worden, en alle kennis is overgedragen. En aanvankelijk neemt de niet-westerse partner het ook over, maar na een poosje komt het project in de versukkeling. En de westerse partner krijgt het gevoel dat de Afrikaanse partner er niet bovenop zit en niet doet wat hij toch gedurende al die jaren geleerd zou moeten hebben. In deze waarneming van de westerse partner wordt allereerst over het hoofd gezien dat leren niet alleen informatieoverdracht is, maar ook een verandering van houding vergt: goed plannen van veel verschillende dingen, initiatieven nemen, voortdurend overleggen, voortdurend innoveren en nieuwe kennis opdoen, zorgen dat er een goed team is enzovoort enzovoort. Dat valt allemaal onder het concept capaciteit. Dat zijn niet automatisch de kwaliteiten van het traditionele Afrikaanse familiebedrijf. In de tweede plaats en daarom gaat het nu vooral, de westerse partner heeft niet in de gaten gehad, dat hij voor de niet-westerse partner functioneerde als een paraplu. Waar de westerse partner denkt in termen van partnerschap en overdracht, ziet de niet-westerse partij dat plotseling zijn beschermende paraplu weg is. Noodgedwongen zal hij of zij dus vroeg of laat op zoek moeten naar een andere paraplu. Want zonder verticaal netwerk van solidariteit en afhankelijkheid red je het vaak niet, vooral niet in Afrikaanse landen, maar vaak ook elders.

De verschillende samenlevingstructuur in kaart

Waarom is het in Afrikaanse landen (en ook elders) vaak nodig een verticaal netwerk en een paraplu boven je te hebben? Opnieuw is hier een grote historische telescoop nodig om details te zien die anders aan je aandacht ontsnappen. De belangrijkste sociale eenheid was altijd en is nog steeds de familie, of de grootfamilie. Daaromheen kun je wijdere cirkels trekken: dorp, clan, taal, religie, enzovoort. Het gevolg is dat er niet veel publiek vertrouwen is en geen publieke ruimte van wederzijdse verantwoordelijkheid, geen Civil society. De groep waar je bij hoort en vooral belangrijke leden in die groep, moeten dingen voor jou regelen. In India is dat vaak nog steeds in handen van de kasten. In Afrika zijn het verticale netwerken van belangrijke clanhoofden, of regionale politici van dezelfde stam of streek of religie. Altijd gaat het om een “wij-groep” met een tamelijk onverschillige houding tegenover de rest. Tegenover mensen buiten je familie of groep of netwerk kun je gemakkelijk een onverschillige houding aannemen. Je hebt geen morele band met elkaar. En als dan iemand uit een ander verticaal netwerk iets voor je moet regelen, dan heeft misschien een vriend van jou daar weer toegang toe, en voor een “vergoeding” komt er dan beweging in de zaak, hetzij een licentie, hetzij een handtekening voor de goedkeuring van importen, enzovoort.

Dat heeft ook gevolgen voor het functioneren van de overheid. Want er is geen sprake van een gelijk speelveld. Alles loopt via persoonlijke contacten en geprivilegieerde betrekkingen. Zo kunnen aan politici gelieerde bedrijven exclusieve rechten krijgen op mijnen of exporten, waarvoor ze natuurlijk ook een wederdienst moeten verrichten, enzovoort. Transparantie, gelijkheid voor de wet, onafhankelijke rechtspraak, overal leiden zij een moeizaam bestaan. Het is er wel, maar het wordt constant buiten werking gezet door de genoemde verticale netwerken. Vaak is dit ook een manier voor politici om vertrouwen en samenwerking te kopen van partijen die hen ook zouden kunnen tegenwerken. Als in Ghana bijvoorbeeld (2020) 120 ministers in het kabinet zitten, dan is dat niet omdat er zoveel werk is, maar omdat allerlei groepen, regio’s, religies, een vinger in de collectieve pap moeten hebben. Men kan zich voorstellen hoe moeilijk het dan moet zijn om in het hele land een consistent beleid doorgevoerd te krijgen op het gebied van infrastructuur, onderwijs, landbouw enzovoort. Voortdurend moet een dergelijk beleid omgaan met of stuklopen op verticale netwerken met eigen agenda’s.

Corruptie?

Te snel nemen westerse partijen die met de genoemde problemen te maken krijgen het woord corruptie in de mond. Als er immers niet een Civil society is met anoniem vertrouwen, geven en nemen, onder de beschermende paraplu van transparantie, de rechtsstaat, contract enforcement, enzovoort, wat kunnen mensen dan anders doen dan vertrouwen van elkaar te “kopen”, oftewel een vergoeding te bieden voor medewerking. Wat kunnen ze dan anders doen dan zorgen dat ze ergens bijhoren en via de groep, met een belangrijke man aan de top die hun belangen weten te bedienen? Het is dus eerder een moreel en een institutioneel probleem. Bovendien, de ondernemer uit het bovenstaande voorbeeld heeft misschien gedurende vier jaar een salaris uit een Nederlands project, maar als het project of zijn onderneming mislukt, moet hij toch na die vier jaar weer terugvallen op zijn familie of op andere belangrijke mensen in het verticale netwerk. Als hij die relaties niet goed heeft onderhouden in tijden van voorspoed, dan kan hij op zijn beurt problemen verwachten in tijden van tegenspoed. In plaats van corruptie is het beter om te spreken van twee verschillende systemen. Mijn voorstel is om die op de volgende wijze in kaart te brengen.

Systeem I en Systeem II

  Systeem I Systeem II
  Instituties Waarden Instituties Waarden
Staat Patrimonialisme aan de top, gunsten toekennen en privileges in ruil voor diensten Gehoorzaamheid en loyaliteit, hiërarchie, status, persoonlijke relaties, particularisme

 

 

Rule of law, sterke staat die verantwoording aflegt, bescherming van eigendom, contract enforcement Universalisme, gelijke behandeling, rechtvaardigheid, transparantie

 

 

Civil society Gesloten wij-groepen, verticale netwerken, weinig samenwerking

 

 

Levenslange solidariteit, aanpassen aan de groep, traditionalisme, onzekerheidsmijding Civil society, open samenwerking op het grondvlak, wisselende coalities (onafhankelijk van familieloyaliteit en staatsautoriteit) Open houding, wederzijdse aanpassing, meerdere lidmaatschappen, pluralisme van opvattingen
Afzonderlijke ondernemingen Familiebedrijven, verschillende activiteiten, afhankelijk van positie en kansen in het verticale netwerk Strakke commando cultuur, status afhankelijk van positie, gesloten groep ethos, loyaliteit belangrijker dan efficiency, synchroon tijdmanagement, geprivilegieerde behandeling van groepsleden Open arbeidsmarkt, contracten, instrumentele werkrelaties, zowel competitie als samenwerking tussen concurrenten Individueel oordeel, professionele houding, status door prestatie, planning, innovatie, samenwerking, gelijke behandeling, teamvorming

In deze tabel wordt onderscheid gemaakt tussen Systeem I en Systeem II om twee ideaaltypische samenlevingsvormen weer te geven. Het eerste is meer traditioneel, en past bij een nomadische of agrarische gemeenschap, en bij een kleine schaal. Het tweede is modern, of nieuw, of westers, maar in plaats daarvan is een abstracte aanduiding gekozen, omdat geen van die termen precies de lading dekt. Ook het Westen heeft niet alles echt volgens Systeem II geregeld. En ook de moderniteit is niet een eindpunt van ontwikkeling. Er komt altijd een nieuwe moderniteit. En moet men dan Systeem I “ouderwets” noemen? Dat is immers geenszins het geval, want het is zeer ontwikkeld en verfijnd, nog afgezien van het feit dat elk gezin en elke familie ook in het Westen een Systeem I fenomeen is. Systeem I is onze gemeenschappelijke basis. Systeem II is een innovatie.

Bovendien maakt de tabel onderscheid tussen instituties en waarden. Bij bepaalde instituties horen bepaalde waarden en instituties en waarden versterken elkaar. Als de instituties erg top-down zijn dan is het voor de hand liggend dat de waarde van loyaliteit erg belangrijk is, enzovoort.

Wie de tabel op zich in laat werken kan tot waardevolle inzichten komen. Afrikaanse landen zijn niet louter georganiseerd volgens Systeem I, maar zijn juist een mix van Systeem I en Systeem II. Dat maakt dat de burgers van Afrika eigenlijk in twee werelden leven. “Burgers” is eigenlijk een Systeem II gerelateerde term. Maar dat burgerschap wordt vaak doorkruist door familie toebehoren, toebehoren aan een dorp, toebehoren aan een etniciteit of religie. Zo leven veel mensen in Afrika in twee werelden.

Er zijn natuurlijk ook in de westerse wereld verschillende versies van Systeem II, maar één ding is duidelijk: waar verschillende groepen meer en effectief moeten samenwerken en in een groot verband leven, moet er op enigerlei wijze meer samenwerking groeien (Civil society) en een sterkere en rechtvaardige staat tot stand gebracht worden. Lukt het niet om meer gelijkheid voor de wet te creëren, dan moeten noodgedwongen steeds verschillende groepen mensen via de groep, stam of de kaste, hun invloed op de staat laten gelden. Een sterke en rechtvaardige staat is dus nodig om de rol van groeps-loyaliteit en -afhankelijkheid terug te dringen en meer Civil society mogelijk te maken. Maar andersom geldt dat ook. Er moet meer Civil society komen, meer samenwerking, anoniem vertrouwen, publieke ruimte, om samen te bewerken dat er een overheid functioneert die gelijkheid voor de wet creëert.

Elk bedrijf in ontwikkelingslanden heeft te maken met beide krachtenvelden en moet koers varen tussen beide systemen. In plaats van aan allerlei verschijnselen het label corruptie te hangen zouden ze er goed aan doen om de dilemma’s waarvoor mensen in Afrika staan boven de tafel te halen en openlijk te bespreken. Wanneer ga je mee met soms onvermijdelijke Systeem I praktijken en wat kun je eraan doen om meer te bewegen in de richting van Systeem II? Sommige bedrijven hebben al een familiefonds, om maar een voorbeeld te noemen. De familie kan dus een beroep doen op de directeur, daarmee wordt Systeem I erkend. Maar het fonds is beperkt, want ook de familie moet inzien dat het bedrijf ook moet overleven.

 

Bovenstaande opvattingen heb ik uitvoerig en met veel voorbeelden en case-studies uitgewerkt in Kroesen, J. Otto, Darson, R., Ndegwah J. David, 2020. Cross-cultural Entrepreneurship and Social transformation: Innovative Capacity in the Global South, Lambert, Saarbrücken, 331pp.

Het boek is te vinden door op internet de titel in te typen/kopiëren en Researchgate, de betreffende website. Een directe link is ook te vinden op de pagina “links” van deze website.