De staat van Israël

In het theologisch nadenken over de blijvende betekenis van Israël vormt de staat Israël vaak een obstakel, vanwege kritiek op de rol van Israël. Of, tweede mogelijkheid, met de eerbied voor Israël wordt ook de staat Israël op een voetstuk gezet. Hier stel ik een reflectie voor op de blijvende betekenis van Israël, ook in de vorm van de huidige staat Israël, die toch zakelijk is. De bijdrage is geïnspireerd op de lange (heils)historische lijnen die Rosenstock-Huessy trekt in zijn sociologie van maatschappijvormen.

Constantijn de Grote

Sinds Constantijn de Grote het christendom tot staatsreligie maakte waren de joden de luis in de pels. Ook de stammen van Europa accepteerden kerk en christendom omdat de kerk een hogere morele orde vertegenwoordigde. De stammen werden altijd beheerst door het wij-zij denken van de familielijnen en clans. Voor de stamhelden stelde de kerk de heiland in de plaats. Dat bracht vrede tussen de clans. Koningen en stamhoofden sloten zich aan bij de Kerk, want anders hadden zij geen legitimatie om ook over andere stammen te heersen. De behoefte aan vrede van onderop en de behoefte aan schaalvergroting van bovenaf leidden samen tot deze koers. Er zat daarom niet alleen overtuiging achter maar ook welbegrepen eigenbelang. Dit dubbele is altijd kenmerkend geweest voor de groei van kerk en christendom. De hogere moraal brengt ook voordeel. Maar een te hoge moraal zou dat voordeel weer teniet kunnen doen. Die behoefte aan matiging begint al bij Constantijn de Grote. Hij wordt christen en verschaft de kerk erkenning. Maar zo wordt de kerk ook de morele steunpilaar van zijn rijk en daartoe doet hij zijn invloed gelden op haar beleid.

De reactie van joodse zijde op dit soort compromissen kan men zich voorstellen: als de wereld op deze manier verlost moet worden wachten we liever nog wat langer op de Messias. In de marge waren er altijd de joden, en die steunden de bestaande orde niet. Dat betekende tweederangs burgerschap, en vaak vervolging. Het leidde ook wel tot respect. De monniken, die liever de woestijn in trokken dan mee te doen met de gevestigde macht van de kerk in het rijk van Constantijn de Grote, zongen wekelijks de 150 psalmen van Israël in hun liturgie. In de psalmen wordt het leed van de mensenziel bezongen die verlangt naar een hogere gerechtigheid. Later, bij hun ontstaan, hebben ook de nationale staten zich Israël tot voorbeeld gesteld. Zowel Nederland als Engeland hebben zich verzet tegen de tirannie van koningen en hogere adel, met een beroep op het verzet van Israëls volk en profeten tegen macht en onrecht.

Kerkstaat

Deze ambivalentie van de kerk komt goed tot uiting in het Vaticaan. In Vaticaanstad had de kerk zelf politiek een voet aan de grond. In het verleden was dat een veel groter gebied dan nu. Ook de rol van paus en Vaticaan in de internationale politiek is veel geringer geworden. Vanaf de investituurstrijd zijn kerk en staat steeds in competitie geweest. De kerk representeerde het betere verhaal en de hogere moraal. Maar om toch invloed te hebben moesten er ook altijd compromissen gesloten worden. Vaak reproduceerde de kerk bovendien binnenshuis wat ze eigenlijk bedoelde te bestrijden. Staten die zich losmaakten van kerkelijke bevoogding konden op hun beurt, bijvoorbeeld tijdens de Reformatie, in hun nationale kerken zelfs een hogere moraal en een beter verhaal claimen. Maar ook zo bracht de competitie tussen kerk en staat vooruitgang. Desondanks, daar was ook de synagoge: alleen al door haar aanwezigheid in de marge een kritische instantie.

Israël als staat

Het is opmerkelijk dat de rollen omgedraaid zijn. De strijd tussen kerk en staat is (nagenoeg) voorbij. Vaticaanstad is tot een minimum gereduceerd. En de joodse stem, altijd gemarginaliseerd, heeft vaste grond onder de voet gekregen in een eigen staat. Het is een religieuze staat. Dat is eigenlijk een anomalie, want het woord staat betekent juist burgerlijk bestuur minus religie. Van een staat kan alleen sprake zijn als kerk en staat gescheiden zijn. Maar deze anomalie heeft Israël dan gemeen met Vaticaanstad. Is deze rolwisseling meer dan een historische toevalligheid? Zowel de kerk als Israël hebben gehandeld uit noodzaak. De zelfverabsolutering van stammen en staten te doorbreken was altijd de missie van de kerk. Ter wille van die missie moest de kerk ook een politieke gestalte aannemen. Voorzover nationale staten terug dreigen te vallen in dat scenario is die missie nog steeds nodig.

Israël handelde uit een andere noodzaak, namelijk een thuis te bieden aan de slachtoffers van de vervolging en daarmee tegelijkertijd als staat een morele standaard te zetten: dit nooit meer! Door die historische missie is ook de staat Israël voortzetting van, en geeft stem aan het oude Israël. Dat verlangde naar een hogere gerechtigheid, die binnen de aardse machtsverhoudingen eigenlijk niet goed mogelijk was. Het kan zijn dat Israël zelf in zijn overlevingsstrijd te assertief wordt en gaat lijken op wat het bestrijdt, zoals dat ook met de kerk steeds is gebeurd. Het kan zijn dat bij tijd en wijle zelfs de hogere morele standaard die Israël stelt overgenomen wordt door andere machten die in hun recht staan – dat alles doet niet af aan de missie van de staat Israël om de volkeren te herinneren aan dit hogere recht. Het ontstaansmoment van de staat Israël zelf zal daar voor altijd aan herinneren. Ook voor Israël zelf.

De maatschappij

Waarom deze rolwisseling? Juist waar de moderne statenwereld het meest ontwikkeld is, leidt de kerk een steeds meer gemarginaliseerd bestaan, zoals ooit de synagoge deed. De kerk had altijd het grotere verhaal en de hogere moraal: zij leerde de volken dat de mensheid één is en dat stammen en staten boven zichzelf uit moesten denken en in grotere verbanden leren samenwerken. Maar die boodschap heeft inmiddels een verkeer van maatschappelijke krachten op gang gebracht dat de macht van nationale staten verre overstijgt. Waar de kerk met haar universalistische boodschap ooit voorop liep, is de wereldwijde verstrengeling, met elkaar en tegen elkaar, inmiddels een economisch gegeven. Dat maakt de missie van de kerk steeds meer overbodig.

Daardoor wordt echter de missie van al deze maatschappelijke actoren des te belangrijker. Waar de kerk ophoudt over missie te spreken, hebben bedrijven de een na de ander een missiestatement. Toevallig? Ze moeten hun personeel gemotiveerd en de consument geïnteresseerd houden. Wat ooit de kerk tegen al te zelfbetrokken groepen moest zeggen, moeten nu bedrijven, instellingen, staten, tegen zichzelf zeggen. Daarom is secularisatie ook internalisatie. Bedrijven moeten, met verlof voor de uitdrukking, niet alleen financieel maar juist daarom ook spiritueel hun eigen broek ophouden. Wat ooit een ideaal was dat de kerk de mensen voorhield, samenwerken en daar een stap harder voor zetten, wordt nu minimumvoorwaarde voor het overleven van het bedrijf en van ons allemaal in het maatschappelijk verkeer.

Minimum en maximum wisselen

Deze rolwisseling raakt de bestaanswijze van zowel kerk als Israël. In een wereld die slechts in kleine stappen door de kerk werd verlost stond Israël voor het verlangen naar gerechtigheid aan het einde van de tijd. Dat was de rol van luis in de pels. Israël stond voor een maximum aan verlossing, waar de kerk in haar moeizame compromissen met de stammen en staten het steeds moest doen met een minimum. Nu is het in een zekere zin andersom. De staat Israël staat voor een minimum. Israël als staat representeert het minimum waar de volken niet achter terug mogen vallen: zij mogen de ander niet tot slachtoffer maken. Of positief geformuleerd: zij moeten in alles wat ze doen ook de gevolgen bedenken voor de anderen. Nooit meer een holocaust!

De kerkelijke missie wordt, zoals gezegd, steeds meer overgenomen door de maatschappij. Het wordt een maatschappelijke missie. Waar de macht ligt komt ook de verantwoordelijkheid te liggen. Omdat bedrijven nu onvermijdelijk een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, is vooruitgang voor hen niet meer lineair. Voor alle maatschappelijke actoren is de werkelijkheid gecompliceerder geworden. Steeds staan zij voor cruciale beslissingen: meegaan met niet zo gezonde bestaande praktijken (1), of de moed en het geloof hebben dat het op een andere manier ook kan (2), draagvlak creëren voor de nodige veranderingen (3), effectief implementeren van het gekozen beleid (4).Voortdurende verandering is een voorwaarde geworden voor voortbestaan. Groter en ruimer denken wordt niet meer door de kerk gepreekt (ook wel, maar ook daarmee wordt de maatschappij slechts herinnerd aan wat ze al weet), en ook niet meer door de staat van bovenaf opgelegd (ook wel, maar ook dat kan alleen voorzover er maatschappelijk draagvlak is) maar het moet door alle actoren afzonderlijk en met elkaar ge-avontuurd worden. Kan niet anders! Ieder individu, iedere groep, ieder bedrijf, iedere instantie staat op hetzelfde kruispunt en we kunnen alleen met elkaar verder komen. De staat Israël herinnert ons aan de minimumvoorwaarde: niet terugvallen tot de staat/toestand van roofdieren. De maatschappij als erfgenaam van de kerkelijke boodschap staat voor het maximum: de weg te gaan, stap voor stap naar het leven op een hoger niveau.

Posted by Otto Kroesen

Geef een antwoord