De botsing tussen Oost en West in Europa (4)

Civiliteit of liberalisering

Het Westen heeft een tamelijk verkort begrip van de fundamenten waar het zelf op gebouwd is. Het liberalisme gaat uit van mensen die in vrijheid een sociaal contract sluiten tot wederzijds voordeel. De mens is een “homo economicus”, calculerend eigenbelang brengt hem tot samenwerking. Dit beeld van de mens heeft grote schade aangericht tijdens de liberalisering van de economie in de Rusland van de 90-er jaren. De schade die het op de lange termijn in het Westen zelf aanricht is mogelijk nog groter.

Civiele samenleving

De samenleving is niet gebouwd op berekenend gedrag, maar op vertrouwen en betrouwbaarheid aan de ene kant en controlerende instituties aan de andere kant [1]. Stap voor stap zijn die opgebouwd, want als je elkaar niet om te beginnen vertrouwt accepteer je ook de checks and balances van de instituties niet. Neem de gilden en steden in de middeleeuwen als voorbeeld: een eed op de wetten van de stad of van het gilde was vereist voor lidmaatschap. Gilden waren ook godsdienstige instellingen, want die betrouwbaarheid en trouw moest telkens expliciet gemaakt worden om ze in te oefenen [2].

Op hun beurt hebben deze instellingen karakters gevormd. Een nieuw “zelf”, een nieuw menstype, is tot aanzijn gekomen. Hoe zou je anders de kas kunnen toevertrouwen aan iemand die niet van jouw familie was? Civiliteit betekent dit: je behandelt ook niet-familieleden alsof het familie is [3]. Wederzijds vertrouwen is niet de enige verworvenheid. Daar komt bij pluriformiteit: je kunt het heel erg oneens zijn en toch waar mogelijk nog samen iets doen. Je kunt kritiek ontvangen en kritiek geven zonder dat de relatie breekt: we zijn allemaal zondaren, dat weten we. Dat besef heeft overigens ook de gevoeligheid voor status drastisch doen afnemen. Door deze verworvenheden worden allerlei problemen opgelost in onderling geven en nemen, zonder dat daar overheidsoptreden aan te pas komt. Dat is niet een natuurlijk gegeven, maar het is een leerproces in samenwerking op steeds grotere schaal die door de Europese Revoluties is gecreëerd. Naast nieuwe rechtsvormen (scheiding der machten, rechtsstaat, representatie) hebben die revoluties tot nieuwe menselijke eigenschappen geleid. Deze eigenschappen en waarden houden op hun beurt deze instituties overeind.

Rusland in de jaren 90

De jaren 90 van de vorige eeuw waren een experiment met liberalisering van de Russische economie zonder de aanwezigheid van een onderliggende civiele samenleving. Men dacht dat het wegnemen van belemmeringen in de vorm van staatsmonopolies genoeg was. De mensen hadden echter geen vertrouwen in elkaar en waren niet betrouwbaar jegens elkaar en alle andere eigenschappen die een civiele samenleving op die basis zou kunnen opbouwen waren evenmin voorhanden. Vroegere directeuren van staatsmonopolies, maffiabazen en KGB agenten wisten zich de vroegere staatsbedrijven toe te eigenen. Om een van de vele trucs te noemen: als een bedrijf geveild werd deed men dat vaak in afgelegen gebieden, zodat concurrenten daar of niet van wisten of niet konden komen [4]. Waardeloze fabrieken werden voor miljoenen verkocht en andersom naargelang het uitkwam. Overboekingen voor verkochte staatsbedrijven werden gedirigeerd naar privérekeningen. Enzovoort. Volgens de redeneringen van de liberale “homo economicus” moest deze chaos van vrije concurrentie vanzelf leiden tot een aantal sterke bedrijven die de concurrentie aan konden, maar men vergat daarbij dat de instituties om eerlijk spel af te dwingen er ook niet waren. Met behulp van vrienden aan de top is het mogelijk concurrenten met betere producten toch uit te schakelen.

Marshall Goldmann zegt er in een artikel uit de jaren 90 dit van: “This has the potential for social upheaval that could easily undermine the existing regime and open the door to a form of proto-f ascism claiming to have the only authority to redress past inequities” [5]. Het zijn profetische woorden. Precies zo hebben de dingen zich ontwikkeld.

Is er dan vanuit Rusland geen verzet daartegen? De Russische oppositie heeft het geprobeerd en is gesmoord. De bevolking van Belarus heeft het geprobeerd en wordt met behulp van Poetin in bedwang gehouden. Er wordt wel gesteld dat eigenlijk Oekraïne een gemeenschappelijke geschiedenis heeft met de Rusland. Oekraïne is altijd grensgebied geweest tussen Oost en West, wat de naam ook betekent. Oekraïne kan ook, zo men wil, beschouwd worden als dat deel van Rusland dat vastbesloten is te breken met de Russische knoet zoals die zich ontwikkeld heeft na de jaren 90. Als Oekraïne daar succesvol in blijkt te zijn gaan meer landen die koers kiezen. Het is altijd weer indrukwekkend het verzet van Oekraïne tegen de Russische koers te zien: alles beter dan dit!

Russificatie volgens Ehrenberg

Het westerse liberalisme echter heeft geen sensitiviteit voor de onderlaag van civiliteit die het “vrije spel van maatschappelijke krachten” draaglijk maakt en bijstuurt. Hoe kon het dan ook oog hebben voor het volkomen ontbreken van een civiele maatschappij in de Sovjet-Unie? Daarom heeft ook het Westen heeft een probleem, want door louter calculerend met mensen om te gaan verminderd ook in het Westen het publieke en anonieme vertrouwen in elkaar en in de instituties en verdampen langzaam alle menselijke kwaliteiten die daarmee verbonden zijn. Mensen worden functies in een megamachine en hun verantwoordelijkheid wordt geschonden door protocollen. Het Westen zelf ziet niet hoezeer haar eigen samenleving nog steeds functioneert dankzij wederzijdse verantwoordelijkheid, die helaas niet wordt gecultiveerd. Neoliberalisme en neo-stalinisme besturen beide de samenleving middels een totaalcalculatie van maatschappelijke krachten. Morele machten worden door beide samenlevingen zoveel mogelijk buitenspel gezet.

De oplossing die Ehrenberg voorstelt bestaat in wat hij noemt Russificatie (zie vorige bijdrage). De grammatica van de taal van de liefde, van opdracht en antwoord, van aangesproken zijn en draagvlak creëren, moet zowel in Oost als in West een nieuwe samenleving realiseren. Hij kan dat russificatie noemen omdat het een toepassing is midden in de maatschappij van de wederzijdse liefde van de broeders en moeders van de Russische kloosters en kerken. De grammatica van de liefde moet het veld van de harde maatschappij betreden [6].

In het begin van de 20e eeuw hebben zowel Russische schrijvers en filosofen als westerse (joodse) geleerden het geprobeerd (zie vorige bijdrage). Er ligt hier nog een onbenut reservoir voor Oost en West. Beiden hebben het hard nodig, zowel om intern de vrede te oefenen alsook om in hun grensgebied, in Oekraïne, vrede te stichten.

[1] Fukuyama, F., 2011. The Origins of Political Order, Exmouth House, London.

[2] Rosser, G., 2015. The Art of Solidarity in the Middle Ages – Guilds in England 1250-1550, Oxford, United Kingdom.

[3] Rosser, The Art of Solidarity in the Middle Ages, 2015, 59. De woorden uit Mattheus 12: 46 – 50 worden vaak geciteerd in de constituties van de gilden en broederschappen: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers? Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: zij zijn mijn moeder en mijn broers. Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet is mijn broer en zuster en moeder.”

[4] Marshall Goldman, The Pitfalls of Russian Privatization, in Challenge , Vol. 40, No. 3 (May-June 1997), pp. 35-49 Taylor & Francis.

[5] Ibid. [6] Kroesen J.O., 2015. Towards Planetary Society: the Institutionalization of Love in the work of Rosenstock-Huessy, Rosenzweig and Levinas, in Culture, Theory and Critique, Taylor and Francis 56:1, DOI: 10.1080/14735784.2014.995770, pp. 73-86.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

De botsing tussen Oost en West in Europa (3)

Verwestersing van Rusland en russificatie van het Westen

In Rusland heeft zich niet een civiele maatschappij ontwikkeld met gilden en steden en organisaties van onderop. Vanaf tsaar Peter de Grote is geprobeerd Rusland te moderniseren. Gedurende heel de 19e eeuw was Frankrijk met zijn burgerlijke revolutie en rationalisme en democratisch bestuur als nationale staat het model. In deze derde bijdrage vestigen we de aandacht op het geprivilegieerde moment van de wending van de 19e naar de 20e eeuw, met als hoogtepunt de Russische Revolutie van 1917 die in Rusland het wetenschappelijk socialisme invoert met totaalplanning van staatswege.

De Russische Revolutie en het wetenschappelijk socialisme

In 1905 vindt in Rusland een burgerlijke revolutie plaats. Maar die is eigenlijk slechts de voorloper van de uitbarsting van 1917, toen midden in de eerste wereldoorlog de radicale communisten, de bolsjewieken, onder leiding van Lenin de macht grepen. Lenin en de zijnen waren trots dat hun land, de toekomstige Sovjet-Unie, als eerste de socialistische samenleving ging realiseren. Zonder de radicalisering van de soldaten/boerenzonen aan het front in de strijd van de eerste wereldoorlog zou dit overigens niet gelukt zijn.

De communistische partij in Rusland vestigde een straf regime met staats-eigendom van de productiemiddelen en totaalplanning van de productie, waarbij radicale maatregelen als verplaatsing van bevolkingen, vervolging van de burgerlijke middenklasse, strafkampen voor dissidenten niet geschuwd werden. Alles draaide om rationele vervulling van de maatschappelijke behoeften en dat onder staatscontrole.

Taalfilosofie in Rusland

Niet zo bekend zijn in het Westen de namen van een aantal Russische filosofen die niet vanuit het communisme maar vanuit de Russische orthodoxie geïnspireerd waren. Daarbij komen namen naar voren als Solovjev, Bulgakov, Berdjajew, Florenski [1]. Ook zij waren ervan overtuigd dat Rusland westerse instituties en waarden moest overnemen, maar daar moest naar hun overtuiging de Russisch orthodoxe inspiratie de leiding bij hebben. De namen van de auteurs Dostojevski en Tolstoy zijn in het Westen veel bekender geworden. Ook zij wilden de westerse erfenis overnemen en tegelijkertijd overtroeven, want zij konden niets aanvangen met de heersende westerse filosofie van het utilisme en rationalisme.

Opmerkelijk is dat deze Russische denkers de schatten van de Russische orthodoxie hebben willen blootleggen door een nieuwe bezinning op de taal. Mensen mogen gebrekkig zijn, bang, soms kwaadaardig, maar als zij elkaar aanspreken en voor elkaar opengaan, gebeurt er iets. Dan komen ze elkaar te hulp en raken als vrienden met elkaar verweven. Zo verweven als de broeders in de Russische kloosters, die alles met elkaar delen en broederschap en vriendschap beoefenen [2]. Dat is de oplossing van de maatschappelijke problematiek die zij voor ogen hebben.

Door de taalfilosofie van appel en antwoord stroomt het liefdesoverschot van de Russische ziel de maatschappij in. De taal zelf heeft aldus Florenski een trinitarische structuur [3]. God is eigenlijk de enige die Ik kan zeggen. Het Jij, het tegenover van God is de Zoon, die in Christus openbaar wordt, maar die ons allen insluit als aangesprokenen. Doordat wij in de Vader die aan ons appelleert (Ik zegt) en de Zoon (aangesproken als Jij) zijn ingesloten vormt de Geest ons om tot een Wij, een gemeenschap van mensen die voor elkaar instaan en samenwerken om het Rijk te realiseren. Zo ontstaat het heil en niet door utilistische of rationalistische redeneringen. Die zijn eigenlijk alleen maar de seculiere voortzetting van de regelgeving vanaf de middeleeuwen door de katholieke kerk.

De crisis van de nationale staat/staten in de eerste wereldoorlog

Een groep vooral joodse geleerden in Duitsland ziet rond de eerste wereldoorlog eveneens de noodzaak om nationalisme en rationalisme te overwinnen. Duitsland heeft de oorlog verloren en het volk dreigt zonder oriëntatie door te draaien en te verwilderen. Hier helpen redeneringen niet. In appel en antwoord, spreken en luisteren, moeten ook hier mensen voor elkaar opengaan. Dat is de enige weg. Aan deze benadering zijn namen verbonden als Ehrenberg, Rosenzweig, Buber, Rosenstock-Huessy [4]. Deze taalfilosofie zou met name bruggen moeten slaan tussen werkgevers en arbeiders, in een gezamenlijke verantwoordelijkheid, ondanks al hun tegenstellingen.

Ehrenberg noemt deze herontdekking van de taal de russificatie van het Westen. In de oosterse orthodoxie zijn de schatten van de liefde van Christus en van de toewijding aan elkaar bewaard gebleven in de liturgie en de kloosters. Nu stroomt liefde en respect de maatschappij in en geeft nieuwe inspiratie, waar mensen met hun plannen en redeneringen vastlopen.

Waar is dit gebleven – in het Oosten en in het Westen?

Zowel in Rusland als in het Westen is deze nieuwe taal een randverschijnsel gebleven. Het heeft wel enige navolging gekregen maar het heeft de samenleving niet op een ander spoor kunnen zetten. Rusland bleef op het spoor van staatskapitalisme met een toenemende rol voor de geheime diensten. Het Westen bleef in het spoor van het liberalisme, met toenemend consumentisme, zodat veel burgerlijke samenwerking die het erfgoed was van de katholieke middeleeuwen en van de reformatorische nieuwe tijd, is weggesleten. De ergste uitwassen van het ieder voor zich liberalisme werden weliswaar bestreden, maar dan vooral in het Westen zelf. Het Westen heeft er een lange traditie van de verworvenheden die het cultureel kapitaal van de eigen samenleving uitmaken te ontzeggen aan andere samenlevingen [5].

[1] In twee banden, al eerder geciteerd, met de titel Östliches Christentum, verschenen in 1923 en 1924, laat Hans Ehrenberg Russische auteurs, filosofen en theologen aan het woord. Zowel de eerste als de tweede bundel is voorzien van een nawoord van Hans Ehrenberg. Het eerste gaat over de europeïsering van Rusland en het tweede gaat over de russificatie van Europa. Ehrenberg heeft samen gestudeerd met uit Rusland uitgeweken theologen en filosofen, en is op deze manier deelgenoot geworden van hun discussies en wil met deze twee banden onder woorden brengen wat deze twee samenlevingen, van Rusland en West-Europa, elkaar te zeggen hebben (zie ook Hans Ehrenbergs Auseinandersetzung mit dem “Östlichen Christentum” Gedanken eines ökumenischen Visionärs, Nikolaus Thon, in Franz Rosenzweig und Hans Ehrenberg, Bericht einer Beziehung, Haag & Herchen, 1986, pp. 150 – 194). Een dergelijk experiment is voor zover ik weet niet herhaald, afgezien van de dialoog tussen Amerikanen en Russen die geïnitieerd is door Clinton Gardner tijdens de koude oorlog. Maar daarover is weinig opgetekend, zie Clinton C. Gardner, Beyond Belief, White River Press, 2008.

[2] Florenski omschrijft die vriendschap en broederschap als zeer open en innig. Hij doet daarbij een pleidooi voor de onrechtvaardige rentmeester uit Lucas 16. Als de onrechtvaardige rentmeester vanwege mismanagement ter verantwoording geroepen wordt door zijn baas, maakt hij vrienden onder de mensen die onder hem staan door hun schulden te verminderen. Men kan dat zien als strategisch gedrag. Maar aldus Florenski, zo moeten mensen zich gedragen in het sociale leven: Bewust van onze eigen zonden, praten wij de schulden van de anderen goed en dekken ze toe, zie An den Wasserscheiden des Denkens, pp. 274 ff. in Östliches Christentum.

[3] Florenski, Der Pfeiler und die Grundfeste der Wahrheit, in An den Wasserscheiden des Denkens, editionKONTEXT, 1994, pp.75 ff.

[4] In zijn nawoord bij Band II van Östliches Christentum wijst Ehrenberg erop dat de oosterse orthodoxie Johanneïsch van karakter is, want geestelijk op de samenleving inwerkt; dit in tegenstelling tot het katholicisme dat via regels en het protestantisme dat via rationaliteit op de samenleving inwerkt. Het juiste handelen wordt niet juridisch geregeld zoals in het canonieke recht en niet logisch afgeleid zoals in het negentiende-eeuwse protestantisme (denk aan de filosofie van Kant), maar het juiste handelen vindt zijn oriëntatie dankzij een geestelijk appel, een geestelijke macht. Zoals in het evangelie van Johannes de Geest van Christus de richting wijst, zo is de levende taal van de grammaticale methode de macht die het vrije spel van maatschappelijke krachten richting wijst. Zie voor deze interpretatie van Ehrenberg’s Östliches Christentum ook Rudolf Hermeier, Hans Ehrenberg und der Osten, in Jenseits all unsres Wissens wohnt Gott, Brendow Verlag 1986, pp.21 – 44.

[5] Winkler, H.A., 2011. Greatness and Limits of the West – The History of an Unfinished Project, LEQS Paper No. 13/2011, https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=1762586, (26-4-2021).

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

De botsing tussen Oost en West in Europa (2)

Regelen of met liefde doordringen

Het Westen met de katholieke kerk en Rusland met de orthodoxe kerk zijn uit elkaar gegroeid. In het Oost Romeinse Rijk bleef het keizerrijk bestaan. Politiek was de kerk daar altijd van afhankelijk. Het West Romeinse Rijk ging ten onder door de val van Rome in 476, en ook door de inval van veel stammen die zich vestigden binnen haar grenzen. In het Westen verliep de ontwikkeling daardoor veel chaotischer. Dat gaf de kerk aanleiding zich meer dan in het oosten met de politieke verhoudingen te bemoeien en de aardse verhoudingen te regelen.

Deze wereld anders

Karel de Grote heeft bij zijn veroveringen in de achtste eeuw wel met de paus samengewerkt, maar de paus werd door hem in een ondergeschikte positie geplaatst. Voor Karel de Grote was het belangrijk dat hij niet gezien werd als vertegenwoordiger van slechts een stam, de Franken. Als hij gezien werd als christelijke keizer met de paus naast zich, kon hij met veel meer overtuiging gezag claimen over de andere stammen ook [1].

Na zijn dood begonnen de grootgrondbezitters ieder rond hun kasteel en met hun klooster hetzelfde te doen. Ze maakten de priesters en monniken ondergeschikt aan hun belangen [2]. Met moeite hielden de opvolgers van Karel de Grote de boel een beetje bij elkaar. De Duitse keizer Hendrik IV probeerde in de 11e eeuw de eenheid te bevorderen door een geloofwaardige paus in Rome te installeren. De pausen zelf waren in die tijd verworden tot weinig meer dan lokale heersers van Rome. Die geloofwaardige paus werd uiteindelijk Gregorius VII en die begon nu net de afhankelijkheid van de kerk ter discussie te stellen.

In 1076 kwam het tot een uitbarsting: de zogenaamde investituurstrijd, de strijd om de benoeming van de bisschoppen. Dat was een strijd die in alle lagen van de maatschappij gevoerd werd. Ook op lokaal niveau wilde men een einde maken aan de machtswillekeur van de roofridders. Het was de kerk die daarvoor streed. Voor het eerst ging de kerk wereldveranderend ingrijpen [3]!

Regels en geestelijken

De kerk probeerde vooral de politieke praktijk te uniformeren: wetten moesten opgeschreven worden en niet arbitrair zijn. Overal moesten zoveel mogelijk dezelfde wetten gelden, en de kerk begon daar zelf mee door zeven sacramenten in te stellen. Er werd voortdurend strijd gevoerd tussen de partij van paus en de partij van de keizer over wederzijdse bevoegdheden en betrekkingen.

In die machtsstrijd was er ruimte voor de steden en gilden om zichzelf van onderop te organiseren. Zij werden daarin door de paus en door de bedelorden gesteund. Gewone mensen en vaak weggelopen horigen namen daaraan deel. Geestelijken waren nu niet meer heiligen die afhankelijk waren van de inspiratie van het moment, maar zij werden een beroepsgroep die gestudeerd had, in het recht of in de theologie [3].

Men moet ook begrijpen dat alle wereldlijke heersers, koningen en keizers, destijds van oorsprong alleen maar militaire leiders waren. Al het andere werd geregeld door de kerk: ziekenzorg, onderwijsinstellingen, zelfs technische innovaties in de landbouw en dergelijke.

Het verwijt van de orthodoxie

De oosters orthodoxe Kerk heeft altijd aan de westerse kerk verwereldlijking verweten. De kerk hield zich bezig met de regeling van de maatschappij en sterker nog: zowel in het geloof als in de maatschappij ging het om de regels, dogma’s en wetten. De kerk is er om Gods liefde voor erbarmelijke mensen te verkondigen. In de heiligen komt die liefde tot uiting. Zondaren worden door die liefde gered. Zo hoort het [4].

Vanuit het westen kwam omgekeerd de kritiek dat de oosters orthodoxe Kerk wel eens wat kritischer naar de overheid mag zijn. De oosters orthodoxe kerk stelde zich altijd passief op tegenover de politieke macht. Veelal was daarbij het argument doorslaggevend dat elke zondaar de toegang tot God moest kunnen blijven vinden [5].

Wat de kerk in het Westen destijds begonnen is heeft een voortzetting gevonden in het werk van seculiere organisaties: de samenleving organiseren door regels en wetten en redeneringen (filosofie, wetenschap) die een “dwingend” karakter hebben. Wij kennen dat ook: voor alles is een regeling. En als de regels uit de hand lopen, zoals in de toeslagen-affaire, dan komt er een andere regeling die de gaten moet vullen [6]. Dan is armoedebestrijding meer een zaak van het hoofd dan van het hart. Dat is het verwijt vanuit het oosten: het Westen is te veel hoofd en te weinig hart.

De Russische maatschappij

Maar dan de Russische maatschappij: de kerk is passief, en de overheid had alleen militaire doelen. De tsaar Peter de Grote heeft ingezien hoe het Westen een voorsprong had genomen in maatschappelijke organisatie. Hij probeerde daar van alles van over te nemen om Rusland tot ontwikkeling te brengen. Maar het lukte steeds niet. De maatschappij bleef een zaak van grootgrondbezitters en arme boeren. Rusland had bijna geen steden. Petersburg was op het Westen gericht, en dat was vooral goed voor inkomsten door export. Hoe moest dat verder? In de 20e eeuw in de Russische revolutie van 1917 kwam dat tot een uitbarsting. Op de een of andere manier moest de Russische maatschappij toch ook het westerse organisatievermogen beërven. Maar hoe moeilijk is dat?

[1] Zie Rosenstock–Huessy, Die Furt der Franken, in E.Rosenstock-Huessy, E., Wittig, J., 1998. Das Alter der Kirche, in Agenda, Munster, pp.463 ff. (Orig. 1928).

[2] Zie Moore, R.I., 2000. The first European Revolution, 970-1215, Blackwell Publishing, Oxford.

[3] Zie Rosenstock–Huessy, E., 1989. Die Europäischen Revolutionen und der Charakter der Nationen, Moers, Brendow (Orig. 1931).

[4] Zie K.S. Aksakow, Ausgewählte Schriften, in Hans Ehrenberg, 1923. Östliches Christentum, Oskar Beck München 88, ff.

[5] Karsawin, in Der Geist des Russischen Christentums, wijst op de al-eenheid van God en mens, die ook de kwade mogelijkheid in de liefde opneemt, Bulgakow in Kosmodizee, verzet zich tegen het eschatologische karakter van de katholieke kerk in het Westen, die een dualistische neiging verraadt. Ook de mogelijkheid van het verkeerde en kwade wordt opgenomen in de zelfopofferende liefde van de Vader en de Zoon, zie Ehrenberg, Östliches Christentum, Band II, respectievelijk pp.314 ff., en pp.462 ff. [6] Voor Duitse lezers: Gedurende meer dan 10 jaar heeft de belastingdienst in Nederland door middel van profilering middels algoritmen onterecht duizenden mensen van toeslagen voor kinderopvang en dergelijke beroofd waartoe deze mensen gerechtigd waren, waardoor mensen hun huis uitgezet werden, vele huwelijken opbraken en kinderen uit huis geplaatst werden, alles vanwege schulden en geldgebrek.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

De botsing tussen Oost en West in Europa (1)

De koepel en het schip

In een oorlog, ook die in Oekraïne, gaat het om de macht. Maar het gaat nooit om de botte macht. Twee samenlevingen botsen, twee manieren van leven, oftewel, een verschillend verstaan van de geestelijke machten die ons bestaan in regie nemen. Dat verschil in waardensysteem (seculier gezegd) of geestelijke machten (religieus gesproken) probeer ik in enkele bijdragen wat scherper te maken [1]. Ik hoop daarmee dat wij de ander beter leren kennen en daardoor ook onszelf.

De architectuur van de oude kerk

De architectuur verraadt vaak een verschil in geestelijke perceptie van de werkelijkheid. Het oude christendom kende vooral koepelkerken, zoals de Ayah Sophia in Constantinopel. Onder de open hemel worden de mensen in de kerk verzameld. Vaak zien we de verheerlijkte Christus vanaf het plafond naar beneden kijken. Hij heeft alle macht in hemel en op aarde. En hij trekt alles naar zich toe (Johannes 12: 32). Je moet de ogen dus op de hemel gericht houden.

In de oude kerk kon je eigenlijk niet verwachten dat je de wereld ingrijpend kon veranderen. Maar je kon wel zelf, en als gemeente, anders leven, met grotere verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar. En dat deed men dan ook. Dat was moeilijk genoeg in de harde werkelijkheid, maar dan werd het toch in ieder geval in de kloosters gedaan. En ook daar blijft het moeilijk. Je kon je ziel behouden en redden uit deze wereld [2]. Het woord ziel is wat uit ons spraakgebruik verdwenen, maar vindt toch ook in onze tijd een equivalent in de uitdrukking “persoonlijke integriteit”.

Maar dat betekende ook dat men het publieke leven niet door direct ingrijpen probeerde te veranderen. Met name in het Oost Romeinse Rijk bleef de kerk aanleunen tegen en genoegen nemen met de macht van de keizer in Constantinopel. Na de verovering van Constantinopel in 1453 beërft de Russische kerk deze levenshouding. Voor persoonlijke integriteit moesten mensen het hebben van Gods genade, en voor aardse gerechtigheid moest men hopen dat de keizer ook onder de invloed van die genade geraakte [3].

De architectuur van de moskee

Overigens had die levenshouding ook in het Oost Romeinse Rijk al voor veel maatschappelijke onverschilligheid gezorgd. Het Oost Romeinse Rijk na Constantijn de Grote was wel gekenmerkt door een veel menselijker en menswaardiger regime dan het oude Romeinse Rijk, maar toen met name in de vijfde en zesde eeuw grootgrondbezitters steeds meer macht kregen en veelal in Constantinopel waren om hun belangen te behartigen, terwijl in de dorpen de mensen krepeerden, kwam er vanuit de Arabische stammen een reactie: alle mensen, ook de grootgrondbezitters, moesten nu vijf keer per dag in het stof buigen, en men kon de erfenis niet meer ongedeeld doorgeven [4].

Deze aanval van de islam op de ongelijke machtsverhoudingen vindt zijn uitdrukking opnieuw in de architectuur. De christelijke koepelkerken worden nu zo gebouwd dat als het ware het gebouw en heel de aarde hangt aan de pilaren, hangt aan de hemel, met minaretten als draden naar boven. Gods almacht slokt de aardse werkelijkheid op en brengt de stammen en de mensen tot eenheid en gelijkheid.

De architectuur van het Westen

In het Westen worstelde men met dezelfde problemen, maar er was al een wat andere oriëntatie op gang gekomen na de verovering van Rome door Alaric in 410. De westerse kerk kon niet meer op een keizer vertrouwen zoals de oosterse en Augustinus schreef zijn boek De Civitate Deï na de verovering van Rome. Daarin betoogt hij dat de verovering van Rome niet echt een ramp is, want het moet de kerk erom gaan de stad Gods op aarde te brengen, en dat kan ook zonder Rome.

In de donkere eeuwen na Karel de Grote hebben de grootgrondbezitters (“roofridders”) in het Westen nog erger huisgehouden dan in het oosten. In 1076 verklaarde paus Gregorius VII dat hij boven de keizer staat en dat leidt tot een enorme machtsstrijd tussen aanhangers van de paus en aanhangers van de keizer. Maar dat is niet louter een politiek conflict, het is een maatschappelijk conflict dat heel de samenleving raakt. Veel kloosters en grootgrondbezitters speelden onder één hoedje en veel oprechte monniken en gewone mensen zetten zich daar met alle macht tegen af [5]. In dit conflict ontstond er ruimte voor de gilden en broederschappen, organisaties van onderaf. Daarin kon men min of meer vrijelijk zijn gang gaan, omdat de pauselijke partij er steun aan gaf, zodat de keizer het niet goed kon tegenhouden [6].

Daarmee komt in het Westen ook een nieuw soort kerkbouw op: wie bijvoorbeeld in de Nieuwe Kerk in Delft (vergeet niet dat het oorspronkelijk een katholieke kerk is!) binnen gaat, ziet niet een koepel boven zich, maar een weg voor zich. Die weg is bovendien gericht op het oosten, op Jeruzalem. Die weg bestaat uit stadia. Men gaat steeds verder naar binnen in het schip van de kerk. Men gaat ook steeds verder met zijn blik omhoog. Daar zijn voorlopige halteplaatsen, een krans, een dwarsbalk, maar dan wordt de blik weer verder getrokken naar boven of naar voren. De westerse kerk, ook in zijn kerkbouw, is niet meer louter gericht op de hemel, maar ook op een stapsgewijze verandering van de aarde.

De oosters orthodoxe Kerk heeft dat steeds als een ketterij gezien. Daarom is de oosters orthodoxe kerk ook “orthodox”. De oosters orthodoxe Kerk blijft erbij dat je als kerk de aarde niet kunt verlossen, de zeggenschap over de aarde blijft aan de wereldse machten voorbehouden. [3] Anders dan de moskee symboliseert de oosters orthodoxe kerkbouw een tweedeling: de koepel of beter de koepels (er zijn meerdere patriarchaten) verheft zich boven de aarde, en is duidelijk gescheiden van de aardse onderlaag. De oosters orthodoxe Kerk maakt de westerse vernieuwing niet mee. Zij heeft daar grote bezwaren tegen. Het is duidelijk dat reeds 1000 jaar geleden de richting ingeslagen is naar een heel andere samenleving.

[1] Ze zijn hier tegelijkertijd gepubliceerd, eerder op de website van een Kerkelijke Gemeente in Delft. Ze zijn ook enigszins bewerkt en van voetnoten voorzien.

[2] Noble, D.F., 1997. The Religion of Technology. New York: Penguin Books p. 11.

[3] In de bundel van Ehrenberg uit 1923 wijst Aksakow op de rolverdeling tussen keizer en volk. Het volk accepteert de almacht van de staat, maar leeft in het wijde land zijn eigen leven los daarvan. De staat is niet meer dan uiterlijke bescherming, K.S. Aksakow, Ausgewählte Schriften, in Hans Ehrenberg, 1923. Östliches Christentum, Oskar Beck München 88, ff.

[4] Armstrong wijst op deze betekenis van het islamitische gebed vijf keer per dag, Armstrong K., 1995. Een geschiedenis van God – 4000 jaar Jodendom, christendom en islam, Ambo, Amsterdam (Orig. 1993).

Kuran wijst erop dat volgens het islamitische erfrecht niet meer dan een derde van de grond in de familie bij elkaar mag blijven, de rest wordt verdeeld. Het is een maatregel tegen het grootgrondbezit in het Oost Romeinse Rijk, zie Kuran, T., 2011. The Long divergence: how Islamic Law held back the Middle East. Princeton University Press.

[5] Zie Moore, R.I., 2000. The first European Revolution, 970-1215, Blackwell Publishing, Oxford.

[6] Zie Rosenstock–Huessy, E., 1989. Die Europäischen Revolutionen und der Charakter der Nationen, Moers, Brendow (Orig. 1931).

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

Het grote verhaal van de menselijke onderneming

Boekomslag de menselijke onderneming

Eind 2022 is de presentatie geweest van het boek De Menselijke Onderneming – het Grote Verhaal van Geloof en Economie. Waar gaat dit boek over en waarom is het geschreven?

Lege banken in de kerk – lege woorden in het bedrijf

De kerk vertelt een groot verhaal met grote woorden. Die vinden steeds minder gehoor. De mensen hebben het natuurlijk ook druk. Maar mensen worden op hun werk ook vaak te kort gehouden. Ingegraven in de dagelijkse arbeid vinden mensen en bedrijven  de woorden niet die ons echt kunnen bewegen.  Daar wil dit boek wat aan doen, zodat mensen ook groeien aan hun werk: integratie van levensverhaal, arbeid en het Grote Verhaal.

De rode draad

Dit boek vertelt het grote verhaal, niet alleen het christelijke verhaal maar ook tal van andere tradities komen aan bod, zoals boeddhisme en taoïsme, stamreligies en rijksculturen. Door al die culturen en tijdperken heen is er geestelijke groei: steeds oefenen wij mensen nieuwe kwaliteiten en eigenschappen in. De oude stammen leren saamhorigheid. Rijksculturen leren

Ingegraven in de dagelijkse arbeid vinden mensen en bedrijven  de woorden niet die ons echt kunnen bewegen.

gehoorzaamheid. De stem van de joodse profeten leert alleen te staan met een scherpe en kritische blik. De kerk leert steeds opnieuw op te staan ondanks schuld en mislukking. Dit zijn niet louter verschillende geloofsovertuigingen, maar ook levenswijzen, en wijzen van werken en samenwerken.

Gilden waren de eerste ondernemingen niet op familie gebaseerd

Wij nemen de gilden als voorbeeld. Tot aan de middeleeuwen waren alle bedrijven familiebedrijven. De gilden hebben daar verandering in gebracht. Je kon er lid van worden als je een eed deed op de wetten en regels. De gilden waren niet alleen beroepsgroepen. Ze organiseerden ook kerkdiensten. Geloven was nodig om vertrouwen in elkaar te hebben als broeders en zusters, ook al was men geen familie van elkaar. Pas in die tijd liet men de stammensamenleving achter zich.

Professie en professionaliteit

Onze arbeidsmoraal teert ook nog op de verworvenheden van de tijd van de Reformatie. Het woord professionaliteit en professie drukt dat uit. “To profess” betekent je geloof belijden. Je belijdt je geloof door degelijk werk te leveren en goed samen te werken. De taal is daarom meer dan een seculier communicatie-instrument. De taal is drager van onze heimelijke geestelijke schatten. In ons werk en ook in het maatschappelijk verkeer gehoorzamen wij steeds aan allerlei soorten hogere machten. Dit boek helpt om in alle verwarring geestelijk de rode draad te vinden in al onze maatschappelijke activiteiten.

Verantwoordelijke interactie

Hoe gaat het Grote Verhaal verder? De grote vraagstukken van onze tijd roepen om verandering. Wie daarin een hoger Appel hoort kan ook de verbinding leggen met de Stem die opklinkt uit de verschillende religieuze tradities die onze cultuur rijk is. Dat geeft veerkracht, standvastigheid en flexibiliteit zowel in de arbeidssituatie als in het maatschappelijk verkeer. De laatste drie hoofdstukken van het boek schetsen de weg voorwaarts.

Naar Introductie en eerste dertig bladzijden hier

Naar korte omschrijving afzonderlijke hoofdstukken hier

De menselijke onderneming, het grote verhaal van geloof en economie, Skandalon, www.skandalon.nl, Middelburg, 380 pp., 2022, € 32,50. De auteur, Otto Kroesen is voormalig studentenpredikant en docent entrepreneurship voor ontwikkelingslanden aan de TU Delft.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

Een alternatieve tijdschaal voor Egypte en Israël

Wat als nu de geschiedenis van de rijkscultuur in Egypte pas rond 1400 v.Chr. begon of zelfs later? Wat als ook de Bijbelse tijdrekening met het verhaal van Abraham niet rond 2000 v.Chr. speelt, maar rond 1100? De uittocht uit Egypte komt dan nog veel later, rond 850, en de koningengeschiedenis begint pas vanaf 720. David moet rond 700 geregeerd hebben. Ook de ballingschap is dan weer veel later, pas na 540 en de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van de tempel was dan niet onder koning Darius, maar onder Alexander de Grote rond 300. De ballingschap is dan bovendien niet uitgevoerd door het Assyrische Rijk, maar door het Perzische Rijk.

De Bijbelse geschiedenis raakt zo veel meer ingebed in de zogenaamde algemene geschiedenis. Dat kan er weliswaar toe leiden, dat het bijzondere van de Bijbelse geschiedenis uitgewist wordt. Maar het kan ook een omgekeerd effect hebben: het bijzondere van de Bijbelse geschiedenis kan ook meer reliëf krijgen.

Dat is wat Sweeney beweert op grond van de vergelijking met archeologische vondsten en op grond van een kritische herziening en onderlinge vergelijking van de historische bronnen zelf [4,5]. In het Nederlands heeft van Asten recentelijk een boek doen verschijnen over het zelfde probleem [1]. Zij bouwen daarmee verder op het werk van Velikovsky [6], die in de jaren 50 van de vorige eeuw voor nogal wat opschudding zorgde door voor het eerst met een dergelijke herberekening te komen.

In deze bijdrage geef ik een verkenning van de problemen die aanleiding zijn voor deze nieuwe manier van berekenen, enkele veronderstellingen en interpretaties, en tenslotte iets over de implicaties voor het verstaan van de geschiedenis zelf waarom het gaat, inclusief de Bijbelse geschiedenis.

Archeologische en geologische vondsten

De traditionele berekening van de geschiedenis van de oudheid is vooral gebaseerd op de bijbel en op Manetho. Manetho is een Egyptische priester die ongeveer 250 voor Christus leefde en een lijst van farao’s heeft opgesteld voor heel de geschiedenis van Egypte. De Bijbelse jaartallen zijn een andere bron en eigenlijk hebben steeds historici, zoals ook Eusebius, die in de derde eeuw na Christus leefde geprobeerd de lijst van Manetho met de Bijbelse lijst van koningen en patriarchen in overeenstemming te brengen.

Toch levert dat allerlei moeilijkheden op. Soms missen ergens een paar honderd jaar. De ene chronologie spoort niet met de andere. Bovendien zijn er de archeologische vondsten. Aardewerk dat op een bepaalde plek gevonden wordt in dezelfde stijl als aardewerk op een heel andere plek, zou vanwege die datering niet met elkaar in verband gebracht mogen worden. Er zit wel een gat tussen, van vaak wel 400 jaar. Moet men dan veronderstellen dat na 400 jaar een bepaalde stijl weer opgepakt is op een heel andere plaats? Van Asten geeft talloze voorbeelden van de tegenspraak tussen de geschreven bronnen en de archeologie. Speurwerk naar het Assyrische Rijk is een ander voorbeeld. Volgens de officiële telling zouden de Assyriërs rond 700 v.Chr. een groot rijk bezeten hebben. Zij zouden ook het tienstammenrijk van Israël in ballingschap gevoerd hebben. Later zou hun heerschappij overgenomen zijn door de Perzen, die op hun beurt nog later door Alexander de Grote verslagen zijn. Maar opgravingen hebben niets laten zien van een Assyrisch Rijk. Telkens gaat de periode waarin de Perzen aan de macht zijn direct over in de periode van de Grieken. Sweeney stelt voor de chronologie van de geschiedenis dienovereenkomstig te reconstrueren.

Ook zijn er over heel de wereld restanten van buitenproportionele overstromingen gevonden, van vulkanische uitbarstingen, van opeenhopingen van kadavers die tegelijkertijd door een grote ramp omgekomen zijn. Opgravingen laten de sporen daarvan zien. Maar gezien de verschillende dateringen die bij opgravingen gebruikt worden (de Griekse berekening past niet goed bij die van Manetho voor Egypte en ze passen eigenlijk geen van beiden goed bij de Bijbelse), worden ook deze opgravingen vaak verschillend gedateerd. Men komt er niet goed uit en als gevolg daarvan heeft men de kwestie vaak laten liggen. Sweeney stelt voor die opgravingen van verschillende overstromingen gelijk te schakelen: overal op de wereld zijn de sporen te vinden van een kosmische ramp, van de omvang van een grote komeet die de aarde gepasseerd heeft of iets dergelijks. Dat was al een hypothese van Velikovsky [7].

Beide argumenten versterken elkaar: als het begin van Egypte rond 1400 gesteld wordt of iets later en de kosmische rampen waarover gesproken wordt hebben rond het jaar 1000 plaatsgevonden, dan vallen allerlei puzzelstukken goed in elkaar.

Velikovsky en Sweeney

Velikovsky schreef in de jaren 50 en daarna over de plagen in Egypte als begeleidingverschijnselen van kosmische rampen. Ook hij gaf een uitvoerige analyse van de tegenstrijdigheden in de berekeningen vanuit het historische gezichtspunt en vanuit de archeologie. Hij veronderstelde dat de oorzaak gezocht moest worden in de binnenkomst van de planeet Venus in ons zonnestelsel. Omdat ook andere berekeningen en elementen in zijn verhaal voor twijfel vatbaar waren of niet klopten, is door de meeste mensen zijn theorie afgedaan als een fantastische constructie en als de constructie van een fantast.

Velikovsky hield nog vast aan de Bijbelse berekening. Hij veronderstelde dat die kloppend was zoals eigenlijk historici dat min of meer steeds ook voor hem gedaan hadden. Volgens Sweeney is er reden ook die veronderstelling te laten vallen. Ook de Bijbelse berekening zit er nog 200 jaar naast bovenop de ongeveer 500 jaar die Manetho al teveel berekend heeft. Het resultaat is dat allerlei gebeurtenissen zo’n 700 jaar later plaatsgevonden hebben, of meer, dan wordt verondersteld.

Assyriërs, Babyloniërs en Perzen

Een belangrijk element in de herberekening van Sweeney is zijn identificatie van het Oude Assyrische Rijk met de Hyksos en anderzijds van het Perzische Rijk met de nieuwe Assyriërs. Egypte is een tijdlang overheerst door de Hyksos. Niemand weet wie ze waren en er is wel verondersteld dat het een woestijnstam zou betreffen, bijvoorbeeld de Amelekieten, die ook door Israël bestreden werden. Dat komt omdat de periode van de Hyksos geplaatst wordt rond ongeveer 1600 v.Chr. Als de beschaving van Egypte niet pas rond 3000 maar vanaf ongeveer 1400 is begonnen, valt de Hyksos periode ongeveer samen met de verovering van Egypte door het oude Assyrische Rijk. Volgens de herberekening van Sweeney zijn de Hyksos/Assyriërs rond 740 v.Chr. uit Egypte verdreven. Ook de koningen van Israël hebben aan die strijd tegen het oude Assyrische Rijk deelgenomen en in die strijd hun zelfstandigheid bevochten: Saul, David, Salomo.

Opnieuw volgens Sweeney hebben de Perzen Egypte veroverd rond 550-540 v.Chr. Dat betekende ook het einde van de zelfstandigheid van de koningen van Juda en Israël en het begin van de ballingschap. Maar volgens de Bijbelse gegevens is Israël in ballingschap gevoerd door de Assyriërs en Juda door de koningen van Babel. Sweeney argumenteert dat het in beide gevallen toch de Perzen waren. Heeft Tiglat Pileser III van Assyrië dan niet het beleg geslagen rond Samaria en Jeruzalem? In werkelijkheid was het koning Cyrus van Perzië. Alleen, in het Syrische gebied, waar Palestina onder hoorde, werden voor de Perzische koningen Assyrische namen gebruikt. Later gingen de Perzische koningen zich vestigen in Babel en zodoende wordt ook in de bijbel gesproken over de Babylonische ballingschap en het rijk van Babel als uitvoerder daarvan. Opnieuw is dit het gevolg van het gebruik van Babylonische namen vanaf de tijd dat de vorsten van Perzië zich gevestigd hadden in de stad Babel. Maar, zo Sweeney, het was normaal dat in een bepaald gebied de traditionele titels en benamingen van de koningen steeds in gebruik bleven ook wanneer er nieuwe heersers waren. Wat merkt tenslotte het gewone volk ervan, of ze door de Assyriërs of de Perzen beheerst worden? Dus gebruikten de Perzen de Assyrische titels en namen.

De bevrijding uit de ballingschap is dan ook niet gekomen door Darius, maar door Alexander de Grote, rond 300 voor Christus, en mogelijk is een van zijn opvolgers, Artaxerxes (=Nebukadnezar) degene geweest die de herbouw van de tempel en van Jeruzalem rond 200 v.Chr. weer toegestaan heeft.

Hieruit ontstaat een heel ander beeld dan het gebruikelijke. Als het klopt betekent dat dat allerlei gebeurtenissen in de geschiedenis van Egypte en de omringende rijksculturen opnieuw onderzocht en geïnterpreteerd moet worden. Dat geldt ook voor de Bijbelse geschiedenis. Volgens Sweeney is het nu mogelijk samenhangen te vinden tussen de Bijbelse geschiedenis en die van Egypte, die voorheen nooit vastgesteld konden worden. Hij identificeert Jozef met de grootvizier Imhotep, die het land Egypte leidde gedurende een periode van zeven jaar hongersnood, en in wiens tijd begonnen werd met de bouw van stenen bouwwerken. Hij identificeert Mozes met de opstandige Amasis, die vier jaar geregeerd heeft als farao Amenmesse en toen gedood is, maar zijn ambt van leider heeft overgedragen op een volgende Mozes die de uittocht heeft geleid. De koningin van Scheba is in werkelijkheid de Egyptische vrouwelijke farao Hatsjeptsjoet die Thebe als hoofdstad had (Thebe= Scheba).

De Bijbelse jaartelling volgens Benno Jacob

Is de bijbelse chronologie dan wel kloppend, zoals Velikovsky veronderstelde. Daartoe gaan we te rade bij het werk van Benno Jacob. Benno Jacob is een belangrijke joodse commentator en Bijbelonderzoeker van met name de eerste vijf boeken van de bijbel [2,3]. Daarnaast heeft hij een groot commentaar geschreven op het boek Genesis. Hij neemt de Bijbelse tijdrekening niet als een gegeven, maar ziet er een symbolische betekenis in. Om die betekenis te ontraadselen onderzoekt hij de verschillende genealogieën in de eerste vijf boeken van de bijbel. Het gaat om een minutieus onderzoek waarvan hier alleen de grote lijnen getoond kunnen worden.

De joodse telling begint met het jaar 1, de schepping van het paradijs. Daarop volgt vrij snel de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs. Op de arbeid van Adam rust vanaf dat moment een vloek. Belangrijk is dat Noach geboren is nadat Adam gestorven is, in 930. Dat is belangrijk omdat daardoor Noach niet meer onder de vloek leeft. Het wordt, aldus Benno Jacob, nu mogelijk te denken aan een herstel van het paradijs. Dat Henoch zonder te sterven in de hemel wordt opgenomen in 987 past in die gedachte. Zo manifesteert zich het paradijs in een mensenleven. De bouw van de toren van Babel in 1974 vindt plaats na nog eens 987 jaar (1974=2×987). De bouw van de toren van Babel is eveneens bedoeld als een terugkeer naar de staat van perfectie van het paradijs. Alleen, het is een mislukking. Het is het tegendeel van perfectie. Abraham moet er uit wegtrekken. Maar tellen wij bij deze 1974 jaren nog eens 480 jaren op, dan komen we aan bij de bouw van de tabernakel, het tent-heiligdom, dat Israël op zijn tocht in de woestijn met zich meenam. Dat zou nog niet zoveel betekenis hoeven te hebben, ware het niet dat na nog eens 480 jaren, in 2934 de tempel van Salomo gebouwd wordt. Is het misschien de bedoeling van de schrijver (of van een redactor, die een eigen bewerking van ouder materiaal geeft) dat wij in het rijk van Salomo en de glorieuze tempel door hem gebouwd een herstel van het paradijs zien? De tempel is voltooid in het vierde regeringsjaar van Salomo. Het lijkt erop dat die 4 jaren een probleem opgeleverd hebben, want misschien had de redactor of schrijver liever de torenbouw op 1970 gesteld en de bouw van de tempel op 2930. Bij David komt het beter uit. Hij is overleden precies 2000 jaar na de dood van Adam. Alsof hij de nieuwe Adam is. Hij blijft van paradigmatische betekenis: de komende Messias gaat het Rijk van David herstellen. Dat blijft levend in het bewustzijn van het volk ook nog bij de komst van Jezus Christus.

Het is niet zo dat Benno Jacob deze chronologie expliciet in de bijbel terugvindt, maar wanneer allerlei verwijzingen en getallen die de tekst wel levert met betrekking tot tijdsbepalingen aan elkaar gerelateerd worden blijkt dat de redactor of schrijver die berekening op de achtergrond van het werk als leidraad heeft. Het is alsof hij een kruiswoordraadsel, maar dan van getallen, in zijn historische werk heeft geïntegreerd. Benno Jacob heeft het gedetailleerd gereconstrueerd. Om de verschillende getallen met elkaar kloppend te krijgen onderzoekt hij alle mogelijkheden. Zo rekent hij de tijd dat Abraham en zijn zonen in Kanaän verbleven mee in het verblijf in Egypte van Israël. Jacob is precies 215 jaar na het vertrek van Abraham uit Ur naar Egypte gereisd. Nog eens 215 jaar later trekt Israël weg uit Egypte. Om op 480 uit te komen moet ook het verblijf van Abraham in Haran meegerekend worden, 50 jaar.

Kennelijk hebben latere bijbelschrijvers op deze impliciete berekening voortgebouwd. Opgeteld levert de regeringsperiode van de reeks koningen vanaf Salomo na de bouw van de tempel nog eens 480 jaren op. Net als de hele lange levenstijden van de eerste generatie mensen van voor de zondvloed moeten we deze regeringsperiode meer symbolisch nemen dan letterlijk. Het gaat om de boodschap: de tempel van Salomo is een herstel van het paradijs en zo moet dat ook deze tweede tempel zijn. Dat levert de volgende chronologie op, die we voor de vergelijking naast die van Sweeney zetten.

Bijbelse chronologie in de versie van Jacob versus het alternatief van Sweeney

Jacob (Bijbelse chronologie, joodse jaartelling )OpmerkingenSweeney (ingekorte versie)
Paradijs 1  
Adam 930 ꝉAdam sterft voor de geboorte van Noach, vloek opgeheven 
Henoch opgenomen 987  
Noach 1056, Zondvloed 1656  
Toren van Babel 1974Abraham vertrekt uit Ur der Chaldeeën 
Abraham 1949 (geb.)  
Uittocht uit Haran 2024Traditioneel gedateerd rond 2000/1800 v.Chr. 
Abraham reist naar Egypte (Sara bijna gehuwd door farao) Abraham 1100 (begin Egypte, Babylonische migratie)
Jacob naar Egypte 2239Is 215 na vertrek Abraham uit UrJozef/Imhotep 1075-930 (stenen piramiden)
Exodus 2454 (1495 v.Chr.)Is opnieuw 215 jaar later, samen 430, + 50 jaar verblijf in Haran maakt 480   Traditioneel gedateerd rond 1400 v.Chr.Exodus 850/komeet, kosmische rampen
David 2860-2930 ꝉꝉ 2000 jaar na de dood van AdamKoningen 720 (verdrijving Hyksos= Perzen)
Salomo 2900 (geb.) (1049 v.Chr.)Traditioneel koningen gedateerd vanaf 1000Salomo 680 (Hatsjeptsjoet)
Bouw van de tempel 2934 (1015 v.Chr.)Is 480 jaar na de uittocht   
  Cyrus/Tiglat Pileser, ballingschap 10 stammen, verovering Egypte 550-540
  Alexander de Grote, einde ballingschap 300
Terugkeer uit de ballingschap, bouw van de tweede tempel 3414 (535 v.Chr.)Is nog eens 480 jaar later.   Laat een gat vallen van 200 jaar in de geschiedenis van Israël waarin niets gebeurd isAntiochus III/Artaxerxes/Nebukadnezar, wederopbouw Jeruzalem 200
  Makkabeeën tegen Seleuciden (Syrië/ Assyrië) 150

Dat niet de Assyriërs maar de Perzen Israël in ballingschap gevoerd hebben moet voor bijbelkenners lastig te verteren zijn. De Perzen worden in Jesaja als bevrijders gezien en later geeft de Perzische vorst Darius de joden de gelegenheid terug te keren naar Jeruzalem. Maar, aldus Sweeney, dat zou wel eens door de bijbelschrijvers zo geconstrueerd kunnen zijn omdat zij inmiddels, zo rond 200 v.Chr., niet zo blij meer waren met de Syrische overheersing (Seleuciden) van hun land, die begon na Alexander de Grote. Het zou hen goed uitkomen dan liever (achteraf) de Assyriërs op te voeren als veroveraars en de Perzen als bevrijders. Maar, zo Sweeney, misschien wisten zij ook niet meer dat het alleen om Assyrische namen voor dezelfde Perzen ging. Ook Alexander de Grote zou heel goed een Perzische naam geadopteerd kunnen hebben om daarmee bekend zijn bij de Perzische onderdanen, inclusief Israël.

Geschiedenisbeeld en boodschap van de Bijbel

Verandert nu dit beeld van de geschiedenis ook de betekenis en de boodschap van de Bijbel? Dat is niet zo over het grote geheel, maar mogelijk wel in bepaalde gevallen. Bijvoorbeeld, wat bedoelt Jesaja als hij Cyrus opvoert als bevrijder en hem zelfs Messias noemt (Jesaja 44:24-28)? Moeten we dat dan zo opvatten dat hij het eigenlijk heeft over Alexander de Grote? En past Jesaja in die tijd, 300 voor Christus? Sweeney stelt dat we nu geen onderscheid meer hoeven te maken tussen een eerste Jesaja en een tweede Jesaja binnen hetzelfde boek Jesaja, zoals gebruikelijk is, want er zit geen 100 jaar meer tussen koning Achaz en de ballingschap. Maar die bewering vloeit hem wel wat gemakkelijk uit de pen. Want hoe kan Jesaja dan stellen dat Cyrus ook degene is die opdracht geeft Jeruzalem weer op te bouwen (Jesaja 44: 28)? Stel dat daarmee Alexander de Grote bedoeld is dan blijft er nog een probleem bestaan met deze twee Jesaja’s. Want in de berekening van Sweeney moet de ballingschap begonnen zijn rond 540 als Juda en Israël veroverd worden, of voor Juda wellicht wat later. Maar in dat geval blijven we zitten met een ballingschap die bijna 200 jaar geduurd heeft, want Alexander de Grote trad rond 300 op. Heeft Jesaja zolang geleefd? Zo is er veel dat nader onderzocht moet worden. Weliswaar heeft Sweeney een punt met de noodzaak van herberekening van het geschiedenisbeeld. Maar hijzelf moest ook al het geschiedenisbeeld van Velikovsky bijstellen. Ook als we toegeven dat de hele puzzel van de tijdrekening van de oudheid opnieuw gedaan moet worden, dan wil dat niet zeggen dat met zijn voorstel het puzzelen klaar is.

Voor de interpretatie van de Bijbelse boodschap zelf betekent dat, dat ook die in beweging is. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat Jesaja rond 500 Cyrus als bevrijder begroet heeft omdat hij van mening was dat het koningschap van Israël vastgelopen was in onrecht. Ook Jesaja leeft immers na de profeet Elia, die definitief een breuk teweeg brengt tussen de koningen en de profeten. Vanaf zijn optreden zien de profeten niet meer in het koningschap de Messiaanse belofte gerealiseerd. Hoe in dezen de interpretatie ook uitpakt, dat berooft de teksten van de “tweede Jesaja” niet van hun zeggingskracht. Die blijven gericht op een tijd die komt en een gerechtigheid die niet opgaat in de hiërarchie van een rijkscultuur, zelfs niet die van David en Salomo.

Wel wordt de Bijbelse boodschap geschaad door de interpretatie die Sweeney geeft van Abraham. Wat Sweeney betreft staat Abraham in de bijbel model voor een Babylonische migratie die rond 1100 plaatsgevonden moet hebben. Op grond van archeologische vondsten en ander bronnenmateriaal moet Egypte sterk beïnvloed zijn door de rijkscultuur van het oude Babylonische Rijk. Dat past mooi bij het verhaal in de bijbel rond de figuur van Abraham die met een grote groep volgelingen naar Kanaän getrokken is, of eigenlijk eerst, volgens Sweeney, naar Egypte en toen naar Kanaän. Deze Babylonische migratie zou ook de cultus van mensenoffers in Egypte geïntroduceerd hebben. Er worden vondsten vermeld van farao’s die samen met hun personeel (slaven) begraven zijn. Pas de latere Imhotep/Jozef-figuur zou daar een einde aan gemaakt hebben. Welnu, deze interpretatie is een misvatting van het Bijbelverhaal. Het brengen van mensenoffers is een oud stammenritueel dat zijn wortels heeft ver voor het ontstaan van hiërarchische rijksculturen. Bovendien is de functie van het begraven van levend personeel met de dode farao ook een andere, hoe gruwelijk de werkelijkheid ook blijft. Zij moesten hem na zijn dood blijven bedienen. Belangrijker is het inzicht dat juist het bijbelverhaal van Abraham als boodschap heeft de offerrituelen van de stammen te beëindigen. Zou Abraham een nieuwe stam stichten na zijn vertrek uit Haran, dan zou het passend zijn ook zijn oudste zoon te offeren. Hij staat als het ware in dubio of hij dat moet doen of niet. Zo wordt het verhaal ook verteld. Als Abraham meent dat God hem de opdracht geeft zijn zoon te offeren wordt de naam “El” gebruikt. Aan het einde van het verhaal wanneer God verhindert dat Abraham zijn zoon doodt, wordt de naam “JHWH” gebruikt, en dat is niet de naam van een stammengod (zoals “El” wel), maar exclusief de God van Israël, de God van de toekomstige gerechtigheid. Abraham offert zijn zoon aan deze God van de toekomst, in die zin, dat hij zijn zoon uitlevert aan deze God, aan het avontuur om de volgende stap in de komende gerechtigheid te zijn. Die boodschap gaat natuurlijk volkomen verloren als we het ontstaan van mensenoffers in Egypte aan Abraham zouden moeten toeschrijven.

Conclusie

Om samen te vatten: Sweeney, van Asten, Velikovsky, en anderen zetten een belangrijk punt op de agenda. Het is niet terecht, zoals tot op heden gebeurd is, dat bijbelwetenschappers en historici aan deze gezichtspunten nog steeds achteloos voorbijgaan. Tegelijkertijd is er nog veel uit te zoeken met betrekking tot de vraag, hoe de verschillende chronologieën dan wel in elkaar passen. Dat is ook een hele klus en men kan alleen maar onder de indruk zijn van de veelheid aan materiaal dat door de genoemde auteurs aangevoerd wordt. Maar soms worden misschien bepaalde gebeurtenissen te gemakkelijk binnen het nieuwe schema gepast. Ik noemde al de tweede Jesaja als voorbeeld.

De her-datering van de Bijbelse chronologie raakt ook de theologische interpretatie van het gebeuren. Onder veel theologen is het gebruikelijk – en terecht mijns inziens – de Bijbelse geschriften te zien als een commentaar bij het historisch gebeuren. Steken die feiten wat anders in elkaar, dan kan ook het theologische commentaar een andere betekenis krijgen. Feiten en commentaar zijn nooit helemaal uit elkaar te halen. Zo draagt bijvoorbeeld inzicht in de religie van het baälisme, een eigen versie van het de Egyptische Osirismythologie, echt wel bij aan het begrip van de functie van de ark, die de wetten van Israël op stenen tafels bewaart (en die niet het lijk bevat van de vruchtbaarheidsgod), alsook aan de betekenis van het verzet tegen het gouden kalf als religieus symbool in Exodus 32 en elders. Ook theologisch gesproken is er dus huiswerk te doen als de chronologie anders in elkaar steekt.

Een laatste aandachtspunt: men kan de vraag stellen waarom dit alles nu in onze tijd gebeurt? Toen de hiërogliefen van Egypte ontcijferend werden heeft men wel gehoopt dat nu de verwevenheid van de Egyptische en de Bijbelse geschiedenis duidelijk zou blijken. Dat gebeurde echter niet, en pas nu lukt het Sweeney en van Asten en anderen dergelijke verbanden veel vaker te leggen, door de chronologieën aan te passen. Heeft het enkele feit dat dat gebeurt niet ook betekenis? De Bijbelse geschiedenis raakt zo veel meer ingebed in de zogenaamde algemene geschiedenis. Dat kan er weliswaar toe leiden, dat het bijzondere van de Bijbelse geschiedenis uitgewist wordt. Maar het kan ook een omgekeerd effect hebben: het bijzondere van de Bijbelse geschiedenis kan ook meer reliëf krijgen. Tenslotte is overal gestreden om een toekomst van gerechtigheid en ook in andere religieuze tradities en stromingen zijn daar de nodige sporen van te vinden. Het zou ook voor een gelovig mens niet erg bevredigend zijn als dat niet zo was, alsof God zich om de rest van de mensheid niet heeft bekommerd. Meer reliëf: nergens is deze ervaring zo tot expressie gekomen als in de Schrift van Israël. Met dat inzicht is de bijbel ook niet meer louter een kerkelijk boek. Het is een boek, hét boek misschien, van de mensheid, omdat voor heel de mensheid hier nieuwe wegen gebaand worden, die door heel de mensheid beërfd moeten worden. De Bijbelse geschiedenis als maatschappijgeschiedenis, dat is hier het theologische avontuur, dat op het spel staat. In het huidige tijdperk van globalisering en van de botsing tussen verschillende culturele/religieuze tradities is een dergelijke benadering van het grootste belang. De chronologie die voortkomt uit archeologie versus cultuurgeschiedenis, zet daarmee de dialoog tussen de religieuze stromingen op een nieuwe manier op de agenda. Het is een mooi voorbeeld van synchroniciteit.

[1] Asten, van S., 2020. De Machtige Boom: Geschreven Bronnen Versus Archeologie, Pumbo.nl.
[2] Jacob, B., 1905. Der Pentateuch: Exegetisch-Kritische Forschungen, Leipzig, Von Veit.
[3] Jacob, B., 1934. Das Erste Buch der Tora, Schocken Verlag, Berlin.
[4] Sweeney, E., 2008. The Genesis of Israel and Egypt, Algora Publishing, New York.
[5] Sweeney, E., 2021. Egypt’s Ramesside Pharaohs and the Persians, Algora Publishing, New York.
[6] Velikovsky, I., 1977. Eeuwen in Chaos, Ank-Hermes, Deventer (Orig. 1952).
[7] Velikovsky, I., 1975. Werelden in Botsing, Ankh -Hermes, zesde druk (Orig.1950).

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

De Oekraïense oorlog

Wat gebeurt hier?

In dit artikel is het niet mijn bedoeling de discussies over de oorlog in Oekraïne die in andere media gevoerd wordt te herhalen. De bedoeling is om enkele gezichtspunten uit het werk van Rosenstock-Huessy naar voren brengen en te toetsen op hun verklarende waarde. Dat doe ik met speciale aandacht voor een tekst met de titel: The Atlantic Revolution, een tekst uit 1940, aan het begin van de tweede wereldoorlog. De tekst is niet gepubliceerd maar is met vaart geschreven, alsof het zo een les voor een groep studenten had kunnen vullen of voor een zaal had kunnen worden uitgesproken. Er zit vuur in en Rosenstock-Huessy moet iets kwijt, ook al raakt hij het misschien alleen maar kwijt aan het papier. Daarnaast val ik terug op een tekst uit 1929 met de titel: Die Rückwärts gelebte Zeit. Die tekst gaat erover dat men weliswaar een visioen kan hebben voor een andere tijd, maar dat de weg daarheen vertraging en omwegen brengt.

De vraag: wat gebeurt hier?

Wanneer gebeurt er echt iets? Er is echt iets gebeurd als onze beleving en waarneming van de werkelijkheid er anders uitzien. Wij zetten dan niet meer de bestaande koers voort, maar raken op ander spoor. Wij kijken met een nieuwe blik. De werkelijkheid maar ook wijzelf zien er anders uit. In het Nederlands is een mooie woordspeling mogelijk met de woorden gebeuren en geboren. Een gebeurtenis die er echt toe doet en een verschil maakt, is ook een geboorte. Etymologisch hangen die twee woorden ongetwijfeld samen. Uren van crisis zijn ook geboorteweeën van een nieuwe tijd. Soms gaat het ook om een nieuwe stap in een gebeuren dat reeds in gang is. Soms gaat het ook om herhaling van een gebeuren in een nieuwe context of als een late uitloper van een tijd die al veel eerder was geboren. Ook tegenstrijdige gezichtspunten kunnen elkaar hier nog aanvullen. Maar een gebeuren brengt altijd een verandering. Is er niet iets veranderd, dan is er ook niet echt iets gebeurd. Aldus ook de geschiedenisinterpretatie van Rosenstock-Huessy.

The Atlantic Revolution

In The Atlantic Revolution (1940) ziet Rosenstock-Huessy het uitbreken van de tweede wereldoorlog, maar ook de machtsgrepen van Hitler en Mussolini in een lijn met de eerste wereldoorlog en de Russische Revolutie. Het zijn wendingen van één lange doorgaande lijn: de wereldrevolutie. Die revolutie is niet de Russische Revolutie, want die is daar slechts de inleiding toe. De echte wereldrevolutie bestaat in het zogenaamde vrije spel van maatschappelijke krachten, met dien verstande dat de ontbinding van de maatschappelijke krachten niet een “vrij spel” is. De maatschappelijke krachten zijn vrijgekomen sinds autonome staten de economie niet meer onder controle hebben en daarmee hun autonomie zijn kwijtgeraakt. Dit impliceert de mogelijke strijd van allen tegen allen, staten, werkgevers, vakbonden, belangenorganisaties, kasten, stammen. Die zijn opgeschud en ontworteld tot louter krachten in de ruimte die niet meer vanuit een punt onder controle te brengen zijn. Zij botsen op elkaar, of, de enige andere mogelijkheid, zij spreken met elkaar en antwoorden op elkaar en stichten vrede. Ze kunnen dat doen of laten, maar het is echt in hun handen: ze zijn niet gebonden aan een hogere orde die dat voor hen opknapt. Nu ja, dat is iets om van te schrikken: deze ongebondenheid van egoïsmen, of het nu belangengroepen of staten betreft. Maar daarmee wordt de wereldrevolutie zelf tot een hogere macht: je moet wat met elkaar, ook al zou je niet willen. Op straffe van… De Eerste Wereldoorlog heeft de wereldrevolutie op de agenda gezet en de Russische Revolutie stelt een deeloplossing voor, de totaalcalculatie van middelen en behoeften. Hitler en Mussolini in hun “revoluties” zijn nog helemaal in de ontkenningsfase. Ze steken de kop in het zand en leven in een verleden dat er eigenlijk ook nooit was. De Atlantische revolutie tenslotte is ook een fase in dat proces: de landen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan worden wakker ondanks hun eigen gemakzucht. Zij kunnen, onder leiding van de Verenigde Staten, deze regressie naar het verleden van Hitler en Mussolini niet laten gebeuren en grijpen in. We moeten vooruit en in ieder geval niet achteruit. Dat is 1940.

De terug-geleefde tijd

Dat is, in het kort, waar de tekst The Atlantic Revolution over gaat. Dat laat al zien dat er altijd twee manieren zijn om met een nieuw gebeuren om te gaan. Je kunt de confrontatie aangaan en het gebeuren op je in laten werken, ook al weet je een tijdlang niet wat je daarmee moet. Maar je kunt ook in de ontkenningsfase blijven steken. Daarover gaat ook een ander opstel van Rosenstock-Huessy, gepubliceerd in de Band II van Die Sprache des Menschengeschlechts, het opstel Die Rückwärts gelebte Zeit. Dat moet ik hier ook noemen. Je bent in een volstrekt nieuwe situatie terechtgekomen en je kunt het niet accepteren. Je probeert de werkelijkheid zo in te richten dat het verleden dat ongeldig verklaard is toch nog voortbestaat. We doen alsof de nationale staten nog als nationale staten de problemen kunnen oplossen, bijvoorbeeld. Het heeft er de schijn van dat dat overal in onze huidige wereld gebeurt. Populistische leiders willen terug, ze vallen terug op nationale grootheid, ze keren de rest van de wereld de rug toe, en ze ontkennen dat we als louter krachten in de ruimte staan, die zowel elkaar als de ruimte zelf waarin ze nog staan kunnen vernietigen.

Maar in dat zelfde opstel heeft Rosenstock-Huessy er ook oog voor dat we soms terug moeten leven ook in de goede zin. Je kunt met hoge inspiratie ingezien hebben dat de dingen heel anders moeten, maar vervolgens moet je toch de strijd aan met de dagelijkse realiteit en beginnen bij de situatie zoals die is. Hij noemt dat ook wel de wet van de dubbele aanvang. Eenmaal heb je het grote visioen voor ogen, in het uur u. Maar langzaam gaat en lang duurt het veranderingsproces en de dagelijkse strijd van kleine stappen om daar te komen.

Een nationalistische Revolutie

Hebben we nu enkele gezichtspunten om te begrijpen wat er in Oekraïne gebeurt? Op het oog vindt er in Oekraïne vooral een nationalistische revolutie plaats. Oekraïne heeft weliswaar reeds een langere democratische traditie, van sedert de teloorgang van het Sovjet-imperium, maar het is een democratie met veel conflictueuze regeringswisselingen en veel verschillende bevolkingsgroepen. Oekraïne had zijn evenwicht nog niet gevonden als nationale staat en bindt nu de strijd aan om nationale zelfbeschikking. Het is als bij de Franse Revolutie: de externe vijand helpt bij de eenwording. De lange geschiedenis met Rusland als deel van de Sovjet-Unie en natuurlijk ook het gebeuren van 2014 in de Krim en Oost-Oekraïne heeft aan die nationalistische overtuiging bijgedragen. En inderdaad, het recht op zelfbeschikking van volken is internationaal erkend. Maar is een verdeling van de wereld langs lijnen van nationale staten aan de maat van de wereldrevolutie die ons neerzet als krachten in de ruimte, en die verlangt dat krachten in de ruimte gehoorzaam worden aan de macht van de taal? Nationalisme heeft zijn goed recht, maar het is niet het enige recht. Het is begrijpelijk, maar op lange termijn niet voldoende. Het zal niet de eerste keer zijn dat een nationale staat erkenning vraagt van de wereld en vervolgens, als die erkenning er eenmaal is, de blik naar binnen keert en zelf gaat terug leven in de tijd, zoals Polen en Hongarije proberen te doen. Ook dat is deel van het proces van horten en stoten waarin zich de wereldrevolutie een weg zoekt.

Een reactionaire beweging

Terug leven: doet Rusland dat niet ook? Poetin leeft in een andere wereld, heeft Merkel ooit gezegd. Hij staat niet alleen: er is onder rechtse intellectuelen in Rusland (noem het maar zo) een beweging om met een gevoel van missie de grootheid van Rusland te herstellen, tegen het westerse consumentisme en individualisme in, en meer van dergelijke verderfelijke waarden. Het gedachtegoed van ene Dugin speelt daar een grote rol in. De mens bestaat niet uit individuen, maar is deel van het lichaam van een groep. Rusland heeft dat nog bewaard. De kerk bewaakt het innerlijk moreel van deze saamhorigheid. Het Westen wil dat kapot maken. De westerse welvaart en westerse waarden bedreigen dit levensbesef, alleen al door het bestaan van welvarende buren aan de grenzen. Sommige commentators wijzen erop dat Rusland de EU aan haar grenzen meer zou vrezen dan de NAVO. Je kunt hooghartig neerkijken op die houding. Je kunt ook proberen te begrijpen dat in grote delen van het armoedige Rusland dit het levensbesef is. En je kunt je ook afvragen wat omgekeerd Rusland uit haar culturele en christelijke traditie de wereld te bieden heeft. In het verleden vond in dat opzicht meer dialoog plaats, juist ook in de grammaticale traditie van Rosenstock-Huessy. Ehrenberg moet daarbij genoemd worden en in de 20e eeuw heeft Clinton Gartner tijdens en na de koude oorlog die draad opgepakt. Ik zal niet vergeten wat ooit een Russische gesprekspartner tegen me zei: jullie in het westen hebben elkaar niet lief. Jullie organiseren een uitkeringssysteem. In Rusland helpen mensen elkaar van hun armoede met een zak aardappelen de winter door.

Helemaal ongelijk hebben de Russen dus niet in hun oordeel over de westerse vervlakking, maar dat rechtvaardigt het nog niet zelf in de 19e eeuw te blijven leven en het nieuwe van de in gang zijnde wereldrevolutie niet te (willen) zien. Dat geldt ook voor de interne Russische verhoudingen van burgerlijke vrijheden, vrije pers, een samenleving van vrijwilligers. Het bepleiten van grotere saamhorigheid hoeft niet tot kadaverdiscipline te leiden. Ook intern, ook in de Russische samenleving moeten verschillende krachten elkaar corrigeren en aanspreken. Ook de nieuwe democratieën in Oost-Europa zoals Hongarije en Polen hebben daar moeite mee.

Amerikaans imperialisme

Rosenstock-Huessy maakt steeds een onderscheid tussen die gelegenheden waarin Amerika handelt als Verenigde Staten en als nationale staat. Als Verenigde Staten bereidt Amerika een nieuwe wereldorde voor. Hier staat intern de smeltkroes van Amerika symbool voor en extern de openheid van handel, de wereldzeeën, de rechtsorde. Meer dan de Verenigde Naties is de Verenigde Staten in staat om die waar nodig ook af te dwingen. Maar in veel omstandigheden is het ambivalent, begrijpelijkerwijs: het is verleidelijk om de historische missie van de Verenigde Staten te gebruiken om telkens het voordeel te zoeken voor Amerika zelf als nationale staat. Amerika first – dat is niet alleen een leuze onder Trump. In de competitie in de internationale arena heeft Amerika er duidelijk aan bijgedragen Oekraïne los te weken van Rusland en ook nu terwijl de oorlog woedt staat Amerika voorop om steun te verlenen. Is dat noodzaak? Moet om een autoritaire staat heen een veiligheidskordon van democratische welvarende staten gelegd worden? Moet Rusland gedwongen worden in rap tempo mee te gaan in de 21e eeuw? Of – wat ook in Amerika bepleit wordt door oud-minister buitenlandse zaken Kissenger en anderen, had Rusland gerespecteerd moeten worden in zijn veiligheidsbehoefte , en zijn behoefte aan een uitgang naar de zee? Als die behoefte niet onderkend wordt, hoe legitiem is dan de Amerikaanse behoefte om op zijn beurt in Amerika, Noord en Zuid, met behulp van de Monroedoctrine buitenlandse mogendheden buiten de deur te houden? Is dat niet ook negentiende-eeuws? Belangrijker voor ons: Kunnen de overgangen en veranderingen in de regio misschien dieper wortel schieten als ze minder snel gaan? Of moet hier het moment gepakt worden? Dat laatste heeft Amerika stellig gedaan door het nationalisme van Oekraïne ruim te steunen. Maar het brengt de regio op de rand van een kernoorlog en het laat een rekening achter voor Oekraïne en de Europese Unie, want die dingen die alleen maar langzaam kunnen gaan moeten onvermijdelijk nog komen. De wereldrevolutie van taal en wederzijdse verantwoordelijkheid heeft een mix nodig van samenwerking op het niveau van civil society, respect voor minderheden, nationaal zelfbewustzijn en participatie in een planetaire samenleving. Dat vereist nieuwe instituties, maar ook vereist het een nieuw “zelf”, een nieuw menstype, nieuwe kwaliteiten.

De wet van de techniek

Dat inzicht brengt op een volgend gezichtspunt. Het is vooral de ontwikkeling van de techniek geweest die nationale staten, kasten, stammen, minderheden, gestort heeft in de ene ruimte van de ene wereldsamenleving. De krachten van de techniek hebben het vrije spel van maatschappelijke krachten ontketend. Rosenstock-Huessy heeft als “wet van de techniek” het volgende naar voren gebracht:

  1. De techniek vergroot de ruimte waarin we leven.
  2. De techniek versnelt de tijd, de processen van wereldwijde interactie
  3. De techniek doet bestaande gemeenschappen uit elkaar vallen.

Er zijn mensen die vinden dat dit erg negatief geformuleerd is, maar zij vergeten dat het juist het vermogen tot spreken is, het kernstuk van Rosenstock-Huessy zijn leer, die het steeds mogelijk maakt nieuwe gemeenschappen te stichten. Als het bestaan van een gemeenschap niet meer vanzelfsprekend is, dan moet bewust en intensief spreken en luisteren dit compenseren. Juist met het oog daarop heeft Rosenstock-Huessy zoveel aandacht gegeven aan de grammaticale processen die ons verbuigen en veranderen en juist daarom heeft hij zijn meest belangrijke inzicht op de Latijnse formule gebracht van Respondeo etsi mutabor, – ik geef antwoord ook al onderga ik daardoor een verandering. Kort gezegd: de snelle ontwikkelingen van de techniek maken ons tot krachten in de ruimte, maar dit kan gecompenseerd worden door de taal die ons bekleedt met de morele machten van onze gemeenschappelijke culturele erfenis. Hier ligt de opdracht van de in gang zijnde wereldrevolutie: de geestelijke machten die afzonderlijke cultuurgroepen aanstuurden worden nu gemeenschappelijk erfgoed en telkens naar omstandigheden worden die ingezet voor het stichten van nieuwe groepen. Die nieuwe groepen putten uit een gemeenschappelijk repertoire en pionieren hun weg voorwaarts in interactie met elkaar. Iedere cultuur komt daardoor los van zijn eigen achtergrond en wordt een beetje een nomade. Maar zelfverabsolutering is daardoor onmogelijk geworden: de absolute waarden van de eigen groep worden nu bijdragen aan het grotere geheel. Van iedereen vereist dat moed en ver-ant-woord-elijkheid.

De wereldrevolutie

In zijn tekst over The Atlantic Revolution ziet Rosenstock-Huessy in 1940 zoiets gebeuren door de inmenging van de Atlantische volken in de door de nazi’s begonnen oorlog. Eindelijk antwoorden deze volken op de uitdaging. Dat heeft tijd gekost, want iedereen heeft de neiging het er gemakkelijk van te nemen. In de genoemde tekst voert Rosenstock-Huessy de businesscycle op: we moeten mee draven in de cyclus van productie en consumptie, de conjunctuur, de economie. Die heeft in een democratische consumptiemaatschappij meestal de hoogste macht. Zoveel over de buitenwereld. In de binnenwereld van het persoonlijke leven doen zich tegelijkertijd de depressies en zenuwinzinkingen voor. Maar dat zijn individuele problemen, die iedereen slechts aan eigen ziel te lijden heeft. Een verantwoordelijke houding keert die verhoudingen om: wanneer wij gemeenschappelijk maken wat wij lijden aan onze ziel, gaan wij ook gemeenschappelijk verantwoordelijkheid dragen, zetten wij het meedraven met de businesscycle buiten werking en kunnen met verenigde kracht veranderend ingrijpen in de goede richting.

De kritiek van Rosenstock-Huessy op de democratische consumptiemaatschappij is in deze tekst vooral gericht op Amerika, maar ik zou bepleiten, dat vooral Europa zich deze kritiek in het huidige conflict in Oekraïne mag aantrekken. De westerse regeringen hebben alle moeite gedaan om hun begrotingen sluitend te krijgen, mee te liften met de businesscycle, en de bevolking tevreden te houden. Dat weerspiegelt de situatie in vele bedrijven waar een zogenaamd tevredenheidsonderzoek gedaan wordt, als men de behoefte voelt de stemming onder de medewerkers te peilen. De term verantwoordelijkheidsonderzoek bestaat niet voor zover ik weet. Europa heeft vooropgelopen in de Green Deal, dat moet gezegd worden. Maar ook hier staat een managementbenadering voorop, die de veranderingsstrategieën zo probeert te plooien dat het niet teveel kost. Europa heeft bovendien de verantwoordelijkheden voor Afrika buiten de deur gehouden. Bij elke nieuwe vluchtelingenstroom komt in Nederland het debat op over regionale hulp: in plaats van mensen hier toe te laten moeten mensen in de regio opgevangen worden. Maar de grootschalige aanpak en de gedurfde aanpak die dat vergt heeft Europa steeds ontlopen. Zo heeft Europa zich ook tegenover Rusland gedragen, met grote culturele afzijdigheid, maar wel met het overmaken van grote bedragen voor olie en gas, waarmee Europa nu de oorlogskas heeft gespekt, zoals blijkt, van diegenen in Rusland die met dank aan het geld van de globalisering, terug willen naar de gesloten samenleving van de negentiende-eeuw. Met China lijkt het westen ook zo te handelen. Alles wordt als het even kan goedkoop in China geproduceerd, en daarmee wordt een hiërarchische samenleving opgebouwd (in productiebedrijven zijn de verhoudingen altijd hiërarchischer), die de eigen mensen disciplineert en andere delen van de wereld beschouwt als wingewesten. Overigens, de koloniale machthebbers van de 19e eeuw hebben zich ten opzichte van China net zo gedragen. Dat Europa zich nu voorgenomen heeft zich opnieuw te bewapenen mag op de korte termijn nodig en begrijpelijk zijn, maar het is niet het antwoord op de in gang zijnde wereldrevolutie dat gevraagd wordt.

Verantwoordelijk handelen, de wereldrevolutie ernstig nemen, houdt in dat men zich bij elke handeling ook afvraagt wat die handeling betekent voor de anderen. Ergens gedurende zijn lessen roept Rosenstock-Huessy uit tegenover zijn leerlingen in Dartmouth: “Because you want to have a tv-set, you will have war with India”. De westerse samenleving zet zo volledig in op technische versnelling, dat nieuwe verantwoordelijke gemeenschappen geen kans krijgen om te groeien en sterker te worden. Dan werkt de wet van de techniek alleen ontwrichtend. De gesloten kasten in India moeten open. De gesloten samenlevingen van verticale netwerken en clans en stammen in Afrika en de Arabische wereld moeten groter denken. De Russische MIR, tegelijkertijd het woord voor dorp en universum, moet deel worden van grotere interactie en uitwisseling. Maar dat kan alleen als het antwoord op de wet van de techniek ernstig wordt genomen: nieuwe gemeenschappen en netwerken van wederzijdse verantwoordelijkheid moeten de oude dorpssamenlevingen vervangen en compenseren.

Tijdens elke revolutie die Rosenstock-Huessy in zijn historische werken beschrijft moest, zoals hij zelf stelt, het nieuwe menstype dat die nieuwe maatschappij kon dragen nog in het proces van de revolutie zelf uitgevonden worden. Zo is het ook met de wereldrevolutie van taal en verantwoordelijkheid. Als het huidige conflict in Oekraïne een deel is van dat proces, dan is alle geweld en leed, hoewel ongerechtvaardigd, misschien tenslotte niet tevergeefs.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

Mensenrechten een christelijke erfenis

De stopzetting van de Chinese financiering van het onderzoek naar mensenrechten aan de VU doet stof opwaaien (Trouw, eind januari 2022). Onderzoekers van de VU hebben (ongewild? gecoöpteerd?) een totalitair regime in de kaart gespeeld. Er gaat een discussie heen en weer over culturele afhankelijkheid van mensenrechten, of universaliteit, over de rol van de individu en daartegenover het tegenverhaal van gemeenschapswaarden. Het is verwarrend.

Hebben de deelnemers in de discussie de universele verklaring van de rechten van de mens van 1948 wel gelezen? Daar staan ook het recht in op onderwijs, op voedsel en een woning (dat laatste goed ook om de Nederlandse regering onder de aandacht te brengen). Er is geen reden individuele en sociale rechten tegen elkaar uit te spelen.

Het is tijd voor een culturele maatschappijgeschiedenis waarin wij leren ons te haasten en tegelijkertijd ongelijktijdigheid te verdragen, en iets van elkaar te begrijpen.

De mensenrechten zijn zeker een westers product maar tegelijkertijd universeel. Degene die de morele lat het hoogste legt stelt ook de norm voor alle andere culturen. Daar is niet aan te ontkomen. Die lat werd zo hoog gelegd door de bijbel en door de kerk van de oudheid en de middeleeuwen.

Zelfs in het leenstelsel hadden de horigen rechten en aan het eind van de middeleeuwen waren er geen horigen meer. Het mercantilisme met de overzeese handel en in de competitie met het oosten en onderling begon weer met slavernij. Volgens Plato en Aristoteles moest het immers kunnen. Aan hen spiegelde zich het vroege liberalisme.

Maar ook is het waar dat je niet kunt vergen dat andere culturen meteen up-to-date zijn – dat kost tijd! Daar heeft ook de receptorbenadering van Zwart en anderen een punt. Er is grote ongelijktijdigheid tussen de westerse cultuur en het oosten en zuiden. Het is een culturele verworvenheid op zich om naar de inbreng van lager geplaatsten te luisteren en om stem en tegenstem te horen en compromissen te zoeken. Democratie kan niet zonder die verworvenheid en je kunt er alleen maar begrip voor hebben dat een land als China daarom nog moeite heeft met open maatschappelijk debat en vrije meningsuiting. Maar dat is nog niet een rechtvaardiging om het experiment van Hongkong de nek om te draaien of de gelijkschakeling van de Oeigoeren goed te praten. Dan draai je de klok terug.

Ook Amnesty heeft gelijk: door mensenrechten relatief te verklaren neem je de activisten ter plaatse die hun leven inzetten niet erg serieus. Het is echter de inzet van het leven van martelaren, vanaf Christus, de heiligen, de monniken, stedelijke burgers, die het idee van rechten voor ieder mens op de kaart gezet heeft. Zonder het bloed van martelaren maken wij geen vooruitgang. Het klinkt cynisch: we hebben meer martelaren nodig om effect te sorteren.
Het zou wel mooi zijn als wij die boodschap als westerlingen ook zelf wat meer serieus zouden nemen bijvoorbeeld tegenover de Groningers. Maar ook tegenover China, want door onze productie massaal naar China te outsourcen hebben wij substantieel bijgedragen aan de straffe hiërarchie waaraan de Chinezen onderworpen zijn. Heeft iemand daarover nagedacht? Sporten in China is een slechte zaak, en intussen komen al onze producten ervandaan. Dat is toch schijnheilig!

Het is tijd voor een culturele maatschappijgeschiedenis waarin wij leren ons te haasten en tegelijkertijd ongelijktijdigheid te verdragen, en iets van elkaar te begrijpen. Het is Rosenstock-Huessy (erhfund.org) die in zijn sociologie in de vorige eeuw daarvoor bouwstenen aangedragen heeft die nog ver de toekomst in wijzen.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

Na de Nationale Staat

Het tijdperk na de nationale staten: Rijk en Stam


In augustus 2019 was in het nieuws dat Trump Groenland wel graag wil kopen van Denemarken. Kopen… Het was niet het laatste uitvloeisel van zijn ‘Amerika first’ politiek. Het lijkt lachwekkend maar het past in het huidige wereldtoneel waarin machtsblokken overal op de wereld hun belangen proberen veilig te stellen. Hierbij doe ik een poging daarop enig licht te werpen vanuit de visie op de heilsgeschiedenis van Rosenstock-Huessy.

Eerdere aankopen

Wie overigens naar de geschiedenis van Amerika kijkt ziet meer van dat soort aankopen. Bekend is de Louisiana Purchase van 1803 toen Amerika het land ten westen van de Mississippi kocht van Frankrijk. Later is ook nog Alaska gekocht van Rusland, in 1867. Dus waarom niet ook Groenland? Die paar mensen die op dat ijs wonen… Toch is er een groot verschil in betekenis. Bij de Louisiana Purchase was Amerika nog in opbouw, nog lang geen wereldmacht. De aankoop van Alaska ontlastte Rusland. Amerika had er ook zonder gekund. Het idee om ook Groenland te kopen, daarentegen, past in de tegenwoordige politiek die gericht is op grondstoffen, banen, en het handhaven van de levenstandaard van de kiezers. Dat is de manier tegenwoordig voor bijna elke politieke leider om in het zadel te blijven. Het is imperialisme.

Empire Building

Bij imperialisme denken we aan de wil om te overheersen. Het is een scheldwoord geworden. Maar Rosenstock-Huessy meent dat we beter kunnen denken aan een ander verschijnsel, namelijk Empire Building. Oftewel een Rijkscultuur opbouwen zoals ook in het Egypte van de farao’s geschiedde evenals in andere Rijken: de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen, China, Rome. De beide wereldoorlogen en de Russische revolutie markeren in de 20e eeuw de overgang van nationale staten naar machtsblokken. Het zijn megamachines vergelijkbaar met de genoemde oude rijken. Kenmerk van die Rijken is het afbakenen van een gebied en het onderwerpen van concurrerende formaties aan de behoefte om de eigen bevolking te voeden en tevreden te houden. Imperialistisch dus, maar voorop stond altijd de interne rust en vrede. En die was afhankelijk van de broodvraag.

Aan de geschiedenis van Amerika laat Rosenstock-Huessy in zijn lessen uit 1954 zien dat ook Amerika vanaf het tijdperk van de kerk terug leeft naar het tijdperk van Israël, van Griekenland en dat in de 21e eeuw (maar dat begon reeds in de 20e eeuw) Egypte aan de beurt is.[1] De presidenten van Amerika van voor de Eerste Wereldoorlog zouden zich nooit bekommerd hebben om de broodvraag en om de economie. Daar ging de politiek niet over.

Nu herleven dit soort Rijksculturen in het Amerika van Trump, maar niet alleen daar. De prioriteiten van het huidige China, Rusland, Brazilië, of de Europese Unie zijn niet heel verschillend. Het gaat om een wereldwijde ontwikkeling. Opvallend is het wel dat de 20e eeuw juist een einde heeft gemaakt aan alle keizerrijken die er nog waren: van Ethiopië tot Japan, van Duitsland tot China. En keert dat nu weer terug?

Opstanding en heil

Het moet terugkeren! Dat is een historische en theologische wetmatigheid. Zo werkt heilsgeschiedenis. Om een gedurfde stap de toekomst in te zetten kunnen we niet anders dan inspiratie putten uit eerdere gebeurtenissen. Maar het moet terugkeren in een nieuwe vorm, in een nieuw kader. De opstanding betreft niet alleen het einde van de geschiedenis. Het zaad sterft in de akker en sticht zo nieuw leven. Bijvoorbeeld: Christus staat op in de kerk.  De psalmen van het oude Israël komen tot nieuw leven in de kloosters. De Griekse filosofie staat op in de verlichting. Zoals Genesis in het Hebreeuws Toledoth heet, geboorten, zo is de geschiedenis vol wedergeboorten. Telkens zetten wij een stap vooruit door ons te beroepen op oude tijden die (moeten) herleven, omdat ze richting wijzen, maar altijd in een nieuwe vertaling en toepassing.

Vier stappen in de Amerikaanse geschiedenis

De geschiedenis van Amerika begint met de puriteinse gemeenten die zich juist willen onttrekken aan het Europese imperialisme. Zij wilden een zuiver leven leiden als christelijke gemeenten die alles met elkaar delen. Dat is een terugkeer van de kerk van de eerste eeuw na Christus. Maar voor deze gemeenten was ook het volk Israël het ideaal: een leven van gerechtigheid als volk dat geen overheid boven zich (nodig) heeft, maar waarin God de leiding heeft, de God van het verbond met het volk dat hem volgt. Dat ideaal is Amerika blijven begeleiden tot aan de burgeroorlog in de 19e eeuw. Daarna, maar ook al daarnaast was er een ander ideaal, waarvan de architectuur van het Capitool en zoveel andere regeringsgebouwen getuigt: de Griekse democratie te doen herleven. De Amerikanen voerden handel over heel de wereld, maar net als bij de Grieken hield de politiek zich daarvan afzijdig. De politici van de Griekse stadstaten gingen over oorlog en vrede en over de rechten van slaven en lijfeigenen, maar niet over de broodvraag.

In deze geschiedenis heeft Amerika vooruit geleefd de toekomst in door tegelijkertijd de blik te richten op een steeds dieper verleden als inspiratiebron. Europa heeft iets soortgelijks gedaan. Drie fasen hebben we al genoemd: de christelijke gemeente, het oudtestamentische volk, de Griekse democratie. In Europa worden die drie fasen respectievelijk vertolkt door de lutherse reformatie, de Engelse parlementsrevolutie en de Franse revolutie. Wie nog verder terug gaat komt uit bij de tijd van de Rijken en Stammen. In een rijkscultuur staat het voeden van de massa’s centraal. In een stamcultuur staat de beleving van de eigen identiteit centraal. Wij maken een terugkeer mee van die beide grootheden. Rosenstock-Huessy zag in de Russische Revolutie en het nationaalsocialisme van zijn tijd de eerste pogingen daartoe. Maar de verworvenheden van Stam en Rijk blijven ons bezighouden zolang wij niet kunnen zonder gemechaniseerde productie en zonder groepsidentiteit.

Heil: helen wat in vroeger tijden onvervuld bleef

Maar opstanding is niet hetzelfde als reïncarnatie. Wat terugkeert is niet een kopie. Dat moet juist vermeden worden. Eigenlijk is de wereldeconomie al één geworden. Het ideaal dat het Egyptische rijk oorspronkelijk dacht te kunnen realiseren was precies dat: de hele wereld omvatten en in een gebied te verenigen. Zij konden ook niet weten hoe groot de wereld was en een 1500 km lange Nijl was al heel wat. En om niet aan uitbuiting en onderdrukking te doen moeten de huidige wereldleiders (geen godenzonen zoals nog de Chinese en Japanse keizers in de 20e eeuw!) hun imperia beschouwen als deel van die nu wereldomvattende eenheid. Hun rijk is daarin slechts een deel. Voorgaande Rijksculturen streefden ernaar wereldomvattend te worden. Nu moeten ze. De wereld is een geworden, althans economisch, maar zonder dat een enkele politieke macht zich daarvan het middelpunt kan maken. Dat gaat niet meer. Ook Trump kan zijn ultieme troefkaart, de bom, niet gooien en hij weet dat. De anderen ook.

Wereldleiders die zichzelf toch het middelpunt willen maken komen in de verleiding de eigen identiteit te vereeuwigen, zogezegd de eigen stam te cultiveren. Stammen hebben altijd vijandbeelden gecultiveerd. En omdat het inmiddels onmogelijk is dat er nog stammen buiten de muren van het rijk leven (dat was steeds het geval bij de Romeinen en bij China) richten verschillende groepen in de ene wereldomvattende samenleving zich tegen elkaar. Terrorisme heet dat. Of iets onschuldiger discriminatie en nationalisme. Is het mogelijk de saamhorigheid van de stam te laten herleven zonder vijandbeelden?

Het christelijke tijdperk

De christelijke gemeente heeft instaan-voor-elkaar (plaatsbekleding) in plaats van eigen identiteit gesteld en stamhoofden en godenzonen afgeschaft door de gekruisigde Christus in het centrum te zetten, die voor-de-ander leefde/stierf. Dat was volkomen nieuw. Door te sterven voor de ander werd een deur geopend naar onderlinge zorg en samenwerking tussen volken en stammen en rijken door gewone mensen. De Europese samenleving is daardoor gevormd: vrijwillige samenwerking – ondanks alle vormen van machtsmisbruik die ook Europa wel gekend heeft. Vanuit dit instaan-voor-elkaar heeft het herleven van al die andere fasen ook zijn zin. Ze moeten herleven, maar gedecentreerd om zo te zeggen, van hun oude centrum beroofd. Ze hebben hun centrum niet meer in zichzelf. Het Rijk is wereldomvattend geworden, maar kan en mag niet meer bestuurd worden vanuit een centrum. Stammen, dat wil zeggen in zich gesloten groepen van grote saamhorigheid – ook die moeten terugkeren, want wij kunnen niet zonder hun saamhorigheid. Maar ook zij moeten geheeld worden. Het rijk in de oudheid was onderdrukkend. De stam in de oudheid was exclusief gericht op de eigen groep. Zoals het Rijk niet alle ruimte mag innemen, zo mag de Stam niet meer eeuwig bestaan. Hechte wij-groepen kunnen zich alleen maar een tijdelijk bestaan veroorloven. Hun groepsidentiteit moet zich tijdig openen.

Ze moeten zich openen, want anders wordt de plaatsbekleding van de een voor-de-ander ongedaan gemaakt. Dan zou de deur naar de A/ander die door Christus geopend is weer gesloten worden. Dan leven we wereldwijd opnieuw in gesloten compartimenten. Dat zou het einde betekenen van het christelijke tijdperk.

De opstanding van Christus en de wederopstanding van oude samenlevingsvormen Maar juist het christelijke tijdperk heeft zoveel deuren tussen mensen onderling geopend dat een terugkeer naar het voor-christelijke tijdperk van gesloten compartimenten niet meer mogelijk is. De techniek, vrucht van het christelijk tijdperk en zonder samenwerking ondenkbaar, maakt dat wij in een wereldwijde ruimte leven, als buren van elkaar. Zouden we erin slagen terug te gaan naar voorchristelijke tijden, dan zou het geweld dat wij elkaar aandoen vele malen groter zijn dan het destijds ooit was. Het einde van het christelijke tijdperk kan daarom alleen maar de vorm aannemen van wederzijdse vernietiging. Dus, we moeten wel verder. Of we willen of niet. We kunnen niet terug achter de plaatsbekleding. De plaatsbekleding is de kern van het bestaan, instaan voor-de-ander. De grote vraag voor onze tijd is: hoe gaan de wederopstanding van het Rijk en de wederopstanding van de Stam eruitzien onder de aantrekkingskracht van dat gegeven?[2]


[1] Onder de titel Universal History (1954) te vinden op de Amerikaanse website https://www.erhfund.org/

[2] Joh. 12:32

Posted by Otto Kroesen, 0 comments

De calvinistische arbeidsmoraal

Het calvinisme is spreekwoordelijk geworden, ook voor mensen zonder enig idee van religie of geloof. Calvinisme en arbeidsmoraal vallen voor het algemeen begrip eigenlijk samen. De titel van deze blog klinkt daardoor als een pleonasme. Calvinisme is immers arbeidsmoraal!

Als mensen willen uitleggen waarom, grijpen zij altijd terug op Weber. Weber verklaart de calvinistische arbeidsmoraal uit een piëtistische houding: hoe kom ik in de hemel? Volgens het calvinisme, zo legt hij uit, kon je dat nooit zeker weten, omdat God al voor de grondlegging der aarde besloten heeft wie wel en wie niet toegelaten wordt. En dat is niet afhankelijk van geloof of prestatie. Maar, zo Weber, daar hadden de calvinisten iets op gevonden. Je kunt het weliswaar nooit zeker weten, maar als je door arbeid en inzet een goed leven tot stand wist te brengen, dan was dat toch een goede indicatie; een teken dat je tot de uitverkorenen behoorde.

Hier wreekt zich dat Weber als Duitser meer vertrouwd is met de lutherse traditie die de vraag stelt: “Hoe krijg ik een genadig God?” Die heeft ook wel zijn invloed gehad in calvinistische landen, maar het is niet echt de oorsprong van de calvinistische arbeidsmoraal. De calvinisten waren geen individualisten. Ook geen piëtistische individualisten.

Voor Calvijn en zijn volgelingen stond de congregatie centraal, de gemeenschap van onderop. In Engeland en Nederland waar het calvinisme sterk was zie je dan steeds ook de nadruk op samenwerking en vertrouwen terugkeren. Dat leidde tot de eerste “joint stock” corporaties, waarbij mensen hun investeringen gemeenschappelijk lieten beheren. Dat eist een hoge mate van vertrouwen. En dat vertrouwen kwam tot stand niet door angst om individuele zaligheid, maar door het verbond met God en de menselijke gemeenschap die door dit goddelijk verbond in het leven geroepen werd. Die ging deze wereld tot Gods Koninkrijk maken.

Zowel in Engeland als in Nederland zie je dan ook de aanleg van kanalen, drooglegging van moerassen, ontwikkeling van het land gemeenschappelijk ter hand genomen worden. In een zekere zin zetten de calvinistische congregaties het werk van de gilden voort. Ook de gilden waren niet alleen arbeidsorganisaties maar ook religieuze organisaties, en waarom? Ook zij moesten voortdurend samen hun religieuze overtuiging cultiveren om elkaar bij de les te houden en de gemeenschappelijke moraal te bewaken. Ze moesten voorkomen dat individuen louter bedacht waren op hun eigen voordeel, of dat van hun eigen familie, en zo de gemeenschappelijke zaak zouden schaden, al was het maar door de kas te stelen en dat soort dingen.

Samenwerking was dus omgeven door religieuze sanctie en motivatie. In het Genève van Calvijn, waar voor het eerst deze nieuwe inzet in praktijk gebracht werd moesten daarom ondernemers op hun hoede zijn. Wie exorbitante winsten maakte kon de kerkenraad op bezoek verwachten! Er mocht wel winst gemaakt worden, dat moest zelfs, maar dat stond ten dienste aan een gemeenschappelijk doel: het maatschappelijk welzijn en de maatschappelijke rechtvaardigheid.

Zeker, naarmate het succes groter werd trad een soort secularisatie op. In plaats van de congregatie en het verbond kwam de gedachte op aan het sociaal contract. In deze voorstelling is God niet nodig en sluiten mensen een verbond met elkaar tot wederzijds voordeel. Het wordt rationalistisch gemotiveerd: weldoordacht eigenbelang en handel. Maar dat moet er niet toe leiden dat de oorspronkelijke religieuze motivatie onderschat wordt! Weber doet graag wat denigrerend over de religieuze angst die leidde tot zulke grote arbeidsprestaties. Voor hem is het een paradoxaal ironisch feit: hemels heil leidt tot aards succes.

Het streven naar hemels heil leidt tot aards succes: eigenlijk gaat het telkens zo. Een nieuwe economie komt alleen maar tot stand door een hoge inspiratie. In die zin is economie altijd heilseconomie. In onze tijd geldt dat net zo goed. De vernieuwing komt nooit van de egoïsten, maar altijd van mensen die zelfvergeten handelen. Waarom is dat zo? Vernieuwing vraagt altijd om een excessieve inzet. En het gaat er niet om dat religieuze mensen daar beter toe in staat zouden zijn (voor de gemiddelde kerkganger geldt dat immers niet), maar het gaat erom in te zien dat die inzet, die excessieve inzet, zelf een onontkoombaar religieus karakter heeft! Religieus betekent hier: hoge woorden worden aangeroepen en opgeroepen waarvoor mensen bereid zijn een prijs te betalen, en die zijn leidend.

Je ziet dat ook op het terrein van ondernemerschap. De pioniers mislukken vaak. Maar zij banen de weg voor het succes van anderen en vanaf dat moment lijkt het gewoon allemaal mensenwerk.

Posted by Otto Kroesen, 0 comments