De datering van de evangeliën bij Robinson

J.A.T. Robinson is bekend geworden van zijn boekje “Honest to God”, waarin hij afrekent met de heersende, vaak naïeve, Godsvoorstellingen van zijn tijd. Hij is heel wat minder bekend geworden van zijn boek over het Johannesevangelie en nog minder met zijn boek over de dateringsvraag van de nieuwtestamentische literatuur [1]. Op zijn interpretatie van Johannes kom ik elders terug, maar hier is zijn onderzoek van belang naar de datering van de evangeliën en de rol van het jaar 70 daarin.

Het jaar 70, de val van Jeruzalem

Al eerder is opgemerkt dat in de datering van de evangeliën het jaar 70 een belangrijke rol speelt. Alle drie synoptische evangeliën hebben aan het einde nog voor het proces en de kruisiging van Jezus een zogenaamde “apocalyptische” rede, waarin de val van Jeruzalem wordt aangekondigd samen met allerlei andere rampen die voorafgaan aan de wederkomst van de mensenzoon op de wolken. De voorspelling van de ondergang van Jeruzalem is een van de belangrijkste argumenten om tot een late datering van de evangeliën te komen. Want hoe konden ze dat weten? Je kunt dat alleen maar achteraf vaststellen.

Maar Robinson peutert aan de vanzelfsprekendheid van deze opvatting. Nergens in de evangeliën, zo merkt hij op wordt de val van Jeruzalem vermeld als een voorbij feit [2]. Ook anderen hebben er wel op gewezen dat dit merkwaardig is [3]. Iemand heeft het zelfs een verbazingwekkend voorbeeld van onkritisch dogmatisme in nieuwtestamentische studies genoemd [4]. Robinson wil daar eens fris naar kijken, en hoewel hij wel weet van het onderzoek van Farmer naar de volgorde van het ontstaan van de evangeliën, begint hij toch bij Marcus, al was het maar om mee te gaan in de aanname van de meeste onderzoekers van zijn tijd, zoals hij zegt.

Zo lezen we bij Marcus:

1Toen Hij de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen Hem: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!’ 
2Jezus zei tegen hem: ‘Die grote gebouwen die je nu ziet – wees er maar zeker van dat geen steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’
3Toen Hij op de Olijfberg was gaan zitten, tegenover de tempel, en Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas alleen met Hem waren, stelde Petrus Hem de vraag: 4‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we herkennen dat het zover is?’ 
Marcus 13:1-4

Wat hier om te beginnen opvalt is dat die laatste vraag niet beantwoord wordt, ook nergens in het vervolg van Marcus. Belangrijker, aldus Robinson: waarom zou Jezus niet een dergelijke voorspelling gedaan kunnen hebben? Josephus vertelt van de opstand van een andere Jezus uit 62 na Christus die dat ook doet.

Het feit dat er geen correlatie is tussen de vraag in het begin en Jezus’ antwoord doet vermoeden dat deze tekst niet achteraf, dat wil zeggen na de gebeurtenissen van het jaar 70 geschreven is. In de tekst van Marcus wordt er maar één keer verwezen naar de tempel:

14Wanneer jullie de “verwoestende gruwel” zien staan waar hij niet hoort (lezer, begrijp dit goed), dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten; 15wie op het dak van zijn huis is moet niet beneden nog iets gaan halen, 16en wie op het land is moet niet naar huis gaan om zijn mantel te halen.
Marcus 13: 14 – 16

Dit kan niet slaan op de feitelijke gebeurtenissen van het jaar 70. Het is veel meer geschreven naar analogie van de gebeurtenissen een 168 – 167 voor Christus, toen de tempel ontwijd werd door de plaatsing van een afgodsbeeld onder het regime van Antiochus Epifanes (de “verwoestende gruwel”). Dit, samen met het feit dat heidense riten werden opgelegd, had tot gevolg dat Mattathias en zijn zonen “naar de heuvels vluchtten, met achterlating van al hun bezittingen in de stad” (I Makkabeeën 2: 28). De Romeinse keizer Caligula heeft wel geprobeerd om in het jaar 40 zijn standbeeld in de tempel neer te zetten, maar door zijn vroegtijdige dood ging dat niet door. Bij Eusebius is te vinden dat voor de oorlog de christenen uit de stad vertrokken zijn en niet naar de bergen zijn gevlucht, maar naar Pella, een Griekse stad in de Decapolis. Met andere woorden, als de profetie uit Marcus geschreven zou zijn na het jaar 70, dan had die er anders uit moeten zien.

Uit Mattheus wordt vaak de gelijkenis van het huwelijksfeest aangehaald. De genodigden voor het huwelijksfeest komen niet opdagen:

5Maar ze negeerden hen (de boodschappers die met de uitnodiging kwamen) en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. 
6De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen. 
7De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. 
8Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de genodigden waren het niet waard. 
9Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.” 
Mattheus 22:5-9

Volgens Robinson is vers 7 door Mattheus ingevoegd in de tekst van Marcus [5]. Nu is – zo Robinson nogmaals – niet direct inzichtelijk hoe terwijl het eten koud staat te worden de Koning een leger op de stad afstuurt en die in de as laat leggen, om dan pas nieuwe gasten uit te nodigen. Maar bovendien, als het dan na 70 geschreven is, dan had wel onderscheid gemaakt mogen worden tussen de stad, die niet verbrand is, en de tempel, die inderdaad wel in de as gelegd is. Dat soort details ontbreken steeds in de profetieën in de apocalyptische redevoeringen, aldus Robinson. Die zijn zo algemeen gehouden dat ze niet achteraf geschreven kunnen zijn.

Tenslotte Lucas. In zijn versie van de apocalyptische rede staat het volgende:

41Toen Hij Jeruzalem voor zich zag liggen, begon Hij te huilen om de stad. 
42Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. 
43Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. 
44Ze zullen je met de grond gelijkmaken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’
Lucas 19: 41-44

Dat moet samengenomen worden met een tekst verderop:

20Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad nabij is. 
21Wie in Judea is moet dan de bergen in vluchten, wie in Jeruzalem is moet er wegtrekken, en wie op het land is moet niet naar de stad gaan, 
22want in die dagen wordt de straf voltrokken, waardoor alles wat geschreven staat in vervulling zal gaan. 
23Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want het land zal in diepe ellende verkeren, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen. 
24De inwoners zullen omkomen door het zwaard of overal heen in gevangenschap worden weggevoerd, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot hun tijd voorbij is.
Lucas 21: 20-24

Veel exegeten zien hierin de meer specifieke informatie die we tot nu toe misten [6]. Maar Robinson wijst op een artikel van Dodd, waarin deze betoogt dat het hier niet zozeer over de verovering van Jeruzalem door Titus gaat, maar dat veeleer de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar in 586 model gestaan heeft voor deze profetie [7]. De tekst van Lucas suggereert bovendien dat men ook na de omsingeling door de legers van de Romeinen nog de kans zou hebben stad in of uit te trekken. In Marcus en Mattheus hebben de eerder geciteerde woorden “wie op het dak van zijn huis is moet niet beneden nog iets gaan halen, 16en wie op het land is moet niet naar huis gaan om zijn mantel te halen” niet betrekking op de stad die men zou moeten verlaten maar op iemands huis, waarin men niet meer naar binnen moet gaan alvorens te vluchten. Ook Lucas beantwoordt de initiële vraag niet, wanneer dit alles zou gebeuren, en concentreert zich op de verwoesting van de stad in plaats van de tempel. Ook verder in de apocalyptische rede van Lucas is er niets dat verder gaat dan algemene termen, zoals de woorden over oorlogen en geruchten van oorlogen. Robinson besluit zijn beschouwing over de betekenis van het jaar 70 met de conclusie dat, in aanmerking genomen het feit dat alle drie synoptische evangeliën feitelijk met vage informatie over het einde van Jeruzalem komen, het gevondene eerder wijst op een tijd van schrijven voor het jaar 70 dan daarna.

De datum van Handelingen en de evangeliën

Bij Handelingen is de vraag dringend waarom het verslag van de gebeurtenissen plotseling stopt bij de aankomst van Paulus in Rome. Lucas vertelt in detail hoe Paulus van Jeruzalem naar Rome reist en dat hij daar in Rome twee jaar lang zonder problemen mensen kan ontvangen in zijn huis. Maar zijn lezers komen niets te weten over de afloop van het proces. Paulus had zich immers beroepen op de keizer. Ook is er niets te vinden over de vervolgingen onder Nero en het grote aantal christenen dat daarbij afgeslacht werd, en ook niet over de dood van Jacobus, de broer van Jezus, in 62. Juist dat laatste had Lucas goed kunnen gebruiken, want deze Jacobus is gedood door de hogepriester Ananus, die een interregnum na de dood van procurator Festus heeft aangegrepen om de doodstraf toe te delen, terwijl het sanhedrin daar feitelijk niet toe geautoriseerd was. Eigenlijk kunnen we niet anders dan concluderen dat het boek gewoon afbreekt, omdat Lucas het in 62 heeft afgerond. Dat betekent dan bovendien dat het evangelie van Lucas voor die datum geschreven moet zijn.

Robinson hangt de overtuiging aan dat niet een bepaald specifiek evangelie doorlopend en exclusief de oudste traditie bevat. De geschreven en mondelinge traditie die aan de basis van elk evangelie ligt, is soms het best bewaard in zijn originele versie door Mattheus, soms door Lucas, maar meestal, naar zijn oordeel door Marcus [8]. Daarmee moet Marcus echter niet gezien worden als het document dat aan alle drie ten grondslag ligt. Robinson ziet de evangeliën in hun huidige vorm als parallelle maar niet van elkaar geïsoleerde ontwikkelingen van materiaal dat gemeenschappelijk is aan verschillende kringen van de christelijke missie, en niet als een eenvoudige chronologische volgorde. Dat betekent ook dat deze tradities elkaar in de loop van hun redactionele totstandkoming beïnvloed hebben. Daarbij moet bedacht worden dat de evangeliën essentieel waren voor de prediking, het onderwijs en de apologie en ook de liturgie van de christelijke gemeenschappen. Dat betekent dat ze uit en met de noden van deze gemeenschappen meegroeiden. Dat er zulke tradities en geschreven en ongeschreven bronnen waren komt goed tot uiting, aldus Robinson, in de inleidende woorden van het evangelie van Lucas, waarin deze zelf vermeldt dat hij vele bronnen heeft onderzocht.

Op een bepaald moment worden de evangeliën op schrift gesteld, min of meer zoals wij die nu kennen, maar niet noodzakelijk in hun uiteindelijke vorm. Men kan veronderstellen dat ze ook toen nog wel een bewerking hebben ondergaan. De ontwikkelingsgang van deze evangeliën is sterk medebepaald door de context en de problemen die zich daarin voordeden.

Mattheus representeert het evangelie voor de joods-christelijke kerk in Palestina. Het helpt hen hun positie te verdedigen tegenover het heersende Jodendom. Maar het is niet een evangelie van mensen van wie het de bedoeling is de christenen te judaïseren, maar eerder het werk van een joods christelijke gemeenschap die open stond voor de zending onder de heidenen en alle spanningen die dit met zich meebracht. Want er zitten zowel heel joodse als heel universalistische teksten in Mattheus. Vanwege dat universalistische en de aandacht voor de zending naar de heidenen houdt Robinson het op Antiochië als plaats van redactie. Daarvandaan begon immers de zending onder de heidenen.

Lucas en Handelingen zijn in essentie het evangelie voor de wereld van het Romeinse keizerrijk, zoals dat door Paulus vertolkt is. Maar Lucas wijst de joodse wortels en de Septuaginta zeker niet af.

Marcus (in wat voor volgorde ook) is het evangelie van het Romeinse centrum, en representeert niet een van de vleugels, maar legt de focus op de kerk in Rome die zo zijn eigen problemen en druk kende.

Johannes moet met deze ontwikkelingstroom van de evangeliën als een integraal geheel gezien worden in een vergelijkbaar proces en wel vooral met het oog op de missie van de kerk onder de Griekssprekende Joden in Palestina en later in de diaspora.

Mattheus is meer dan de andere evangelisten bezig met een relatie tot de tempel, de priesters, de offers. Over de sabbat zegt Jezus bij Mattheus:

 5En hebt u niet in de wet gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel dienstdoen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn? 6Ik zeg u: hier gaat het om iets groters dan de tempel! 7Als u begrepen had wat bedoeld wordt met: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers,” dan zou u geen onschuldigen hebben veroordeeld.
Mattheus 12:5-7

Alleen Mattheus heeft hier het citaat uit Hosea 6:6 “Barmhartigheid wil ik, geen offers”. Het valt op, zo Robinson, dat hij niet het citaat heeft uit I Samuel 15: 22, zoals Marcus 12: 33 dat weergeeft, waar de liefde tot God en de naaste “veel meer betekent dan brandoffers en slachtoffers”. Dat is niet verwonderlijk als in zijn tijd het levitische systeem nog volop in werking is, de offercultus in Jeruzalem. Ook heeft hij veel meer verwijzingen naar de sadduceeën, een groep die zijn invloed verloor na de verwoesting van de tempel. Ook is te noemen de tempelbelasting, waarvan Jezus zegt dat hij toch betaald moet worden, om geen moeilijkheden te veroorzaken (Mattheus 17: 24 – 27). Dat maakt Mattheus tot het meest joodse evangelie.

Alle evangeliën kennen voor-fasen waarin ze zich ontwikkelden en naargelang de behoeften groeiden en veranderden. Het minst geldt dat wel voor Lucas, die optreedt als schrijver na verwerking van al zijn bronnen, zoals hij zelf vermeldt. Mattheus zo is door meerdere mensen wel vastgesteld, kent verschillende lagen van traditie en is in een accumulatief proces tot stand gekomen [9]. Het bevat zowel oude als nieuwe dingen, zoals het zelf vaststelt (Mattheus 13: 52). Daarmee weerspiegelt Mattheus een periode waarin het naast elkaar bestaan van twee gemeenschappen dwingt tot de verheldering van de specifiek christelijke lijn ten aanzien van een aantal praktische zaken die niet meer vanzelfsprekend zijn. Dat zou de periode kunnen zijn tussen 50 en 64 na Christus [10].

Het evangelie naar Johannes en de brieven van Johannes worden door Robinson in een apart hoofdstuk behandeld [11]. Gewoonlijk wordt Johannes laat gedateerd, zo rond het jaar 100. In zijn aanvankelijke publicaties ging Robinson daar wel in mee, maar hij is daarvan teruggekomen en dat is eigenlijk ook de aanleiding geweest om opnieuw de datering van alle nieuwtestamentische geschriften te onderzoeken [12]. Johannes wordt wel als het meest theologische evangelie gezien, maar het is tegelijkertijd vol historisch detail. Dit evangelie moet een eigen bron en traditie gehad hebben. Robinson zoekt die bron in de gelederen van de Griekssprekende Joden in Judea en in de diaspora. De Vader – Zoon vergelijkingen waar het evangelie vol mee is moeten in termen van karakter begrepen worden, niet van status, en daarmee horen ze bij een Hebreeuws/Aramese, Palestijnse context [13].

Als Johannes zo laat gedateerd zou moeten worden, dan zou men verwachten dat de val van Jeruzalem juist in dit evangelie ergens expliciet genoemd wordt. Maar dat is niet het geval [14]. Ook de tempelreiniging bij Johannes staat niet aan het eind, waar het een voorafschaduwing zou kunnen zijn van het einde van Israël, maar is helemaal gefocust op Jezus’ inzet, onder de invloed van de prediking van Johannes de Doper, voor de religieuze zuiverheid van Israël.

In Johannes 5:2, waar Johannes het verhaal vertelt van de genezing van de kreupele man in Bethesda wordt gesproken over de zuilengangen bij Bethesda in de tegenwoordige tijd. Op basis daarvan neemt Robinson aan dat het Johannes-evangelie geschreven moet zijn voor de val van Jeruzalem, toen deze zuilengang nog intact was. Aan het einde van het evangelie van Johannes, in Johannes 21: 18,19 wordt aangeduid hoe Petrus zal sterven, door gekruisigd te worden:

18Werkelijk, Ik verzeker je, toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’ 19Met deze woorden duidde Hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God.
Johannes 21: 18,19

Als daaruit opgemaakt kan worden dat het Johannesevangelie na de dood van Petrus is geschreven, dan heeft Johannes een duidelijke datering: omstreeks 64 of 65 na Christus.

In zijn huidige vorm is het Johannesevangelie een oproep aan de Griekssprekende diaspora van het Jodendom in Klein-Azië om Jezus als Christus te aanvaarden [15]. Het zijn de Griekssprekende Joden die in Johannes 12: 20 op het feest aanwezig zijn en Jezus willen zien. Het zijn de schapen die niet van deze kudde zijn en toch naar de stem van Christus luisteren (Johannes 10: 16). Dat wil niet zeggen dat het Johannesevangelie niet missionair van karakter is, maar het brengt de wereld binnen in Jeruzalem, niet andersom.

Zo komt, niet alleen voor de evangeliën en Handelingen Robinson uit op een veel vroegere datering dan te doen gebruikelijk: alle bijbelboeken van het nieuwe testament zijn voor het jaartal 70 geschreven. Ze hebben een boodschap telkens voor een bepaalde doelgroep, en ze ontwikkelen zich tot hun definitieve gestalte in de prediking en catechese van deze doelgroepen, die bovendien door alle onderlinge contacten ook van elkanders overleveringen hoorden en daardoor beïnvloed werden. De evangelisten die ze opschrijven geven ze hun definitieve gestalte. Aldus Robinson.

[1] Robinson, John A.T., 2000. Redating the New Testament, Wipf & Stock, Eugene, Oregon, Original SCM Press, 1976.
[2] Robinson 13.
[3] Robinson 14 Zo Moffat, Moule.
[4] Robinson 14, voetnoot 4. Bo Reicke noemt het “An amazing example of uncritical dogmatism in New Testament studies…”
[5] Robinson 19.
[6] Kümmel bijvoorbeeld, Robinson 26.
[7] Robinson 27: C.H. Dodd, “The Fall of Jerusalem and the “Abomination of Desolation””, JRS 37, 1947,47 – 54”.
[8] Robinson 94.
[9] Robinson 102.
[10] Robinson 104.
[11] Robinson 254 e.v.
[12] Robinson 263.
[13] Robinson 269.
[14] Robinson 276.
[15] Robinson 292.