In zijn boek over het synoptische probleem [1] geeft Farmer een overzicht van de geschiedenis van opvattingen over en van het onderzoek naar de drie evangeliën. Hij laat daarin zien dat de opvattingen van de evangeliën door de geschiedenis heen onderhevig waren aan historische modes en niet alleen aan gedegen onderzoek. Tegelijkertijd probeert hij de teksten van de evangelie zorgvuldig en methodisch te benaderen om zo, stap voor stap, vast te stellen wat de teksten zelf zeggen over de onderlinge relaties en de volgorde van de evangeliën.
Dat lukt natuurlijk nooit helemaal. Een volledige en definitieve oplossing van het synoptische probleem is niet mogelijk, want dan zouden alle opties even uitvoerig beschreven moeten worden. Dat gaat nooit lukken. Immers, onderzoek doen naar de uitleg van de evangeliën is als zwemmen in de oceaan. Je kunt nooit alle benaderingen overzien. Je moet het dus maar zo goed mogelijk doen. Het alternatief voor definitief en objectief onderzoek is bewust vanuit een bepaald gezichtspunt over het probleem te schrijven. Maar dan moet dat wel zo dat daarbij een zekere graad van waarschijnlijkheid wordt aangegeven [2].
Farmer brengt daarop het volgende gezichtspunt naar voren: Mattheus was eerst en Lucas lijkt de tweede te zijn. Mattheus is gebruikt door Lucas, die waarschijnlijk ook de auteur is van Handelingen. Lucas is echter onafhankelijk van Mattheus tot de structuur van zijn evangelie gekomen. Dit gezichtspunt is niet nieuw. integendeel, de werken van de onderzoekers die dit gezichtspunt vertegenwoordigen zijn, aldus Farmer, meer logisch dwingend dan anderen. In eerdere hoofdstukken heeft Farmer al laten zien dat deze benadering losgelaten is ten gunste van een minder overtuigende oplossing. Marcus werd daardoor als het oudste evangelie gezien. Met name Griesbach en Owen hebben daarentegen al in de 18e eeuw op hun manier aangetoond dat Markus het derde evangelie is, na Mattheus en Lucas [3].
Dat is wat Farmer stapsgewijze wil toelichten. Het gaat daarbij niet om de logica van een keten, maar om een web van ontelbare argumenten die leiden tot de conclusie dat het historisch het meest waarschijnlijk is dat Markus was geschreven na Mattheus en Lucas en van hen beiden afhankelijk [4]. Wij volgen hier Farmer in deze stappen, die hij helder en logisch probeert te presenteren.
Stap 1: Mattheus, Marcus en Lucas lijken zozeer op elkaar dat er in ieder geval aantoonbaar een bepaalde literaire afhankelijkheid is.
De graad van letterlijke overeenstemming is even hoog of hoger dan bij documenten waarvan het bekend is dat de auteur van het ene document het andere kopieerde. Daarom is dit de meest voor de hand liggende manier van benaderen. Een andere verklaring is niet uitgesloten, maar dan moet wel aangetoond worden dat dat een betere verklaring is. Hier geldt de regel van een zekere economie in hypotheses. Men moet een hypothese niet toevoegen als het niet nodig is.
Stap 2: Logisch gesproken zijn er 18 manieren waarop drie documenten onderling afhankelijk kunnen zijn.
Stap 3: Je kunt daar oneindig veel variaties aan toevoegen, maar een criticus moet niet hypothetische documenten claimen als die niet eerst geprobeerd heeft het zonder te doen.
Stap 4: Slechts zes van deze 18 kunnen kloppen. Dat komt omdat er telkens in de evangeliën overeenstemming is van twee tegenover een derde. Daardoor vallen er 12 af.
Immers: welke evangelist ook derde was, die heeft moeten werken met twee evangeliën waar reeds een relatie van directe literaire afhankelijkheid tussen bestond. Men kan van alle drie evangelisten natuurlijk beweren dat zij de eerste waren, maar dan blijven wat betreft de andere twee evangeliën telkens slechts twee mogelijkheden over. Samen zes.
Stap 5: Er zijn aanwijsbare en vaststelbare categorieën van literaire fenomenen die beter uitgelegd kunnen worden als Marcus derde is dan wanneer Mattheus als Lucas derde is.
Dat zijn:
1. Volgorde en inhoud
2. De zogenaamde kleine tekstuele overeenkomsten tussen Mattheus en Lucas tegenover Marcus.
3. Er is een opmerkelijke positieve correlatie tussen de volgorde en de mate van gelijkenis tussen Mattheus en Marcus aan de ene kant en Lucas en Marcus aan de andere kant. Marcus is meestal meer in overeenstemming met Mattheus als Marcus en Mattheus samen een andere volgorde hebben dan Lucas. Maar Marcus is meestal meer in overeenstemming met Lucas wanneer Marcus en Lucas samen een andere volgorde van verhalen hebben.
Stap 6: De literaire fenomenen van orde en inhoud van het tekstmateriaal in elk van de synoptische evangeliën is het beste uit te leggen met de hypothese dat Markus na Mattheus als eerste en als Lucas als tweede komt.
Met een enkele uitzondering heeft Marcus nooit een andere volgorde in zijn tekst dan of die van Mattheus of van Lucas, of van beide, als zij in volgorde ook overeenstemmen. De meest treffende overeenkomst tussen Mattheus en Lucas tegenover Marcus is te vinden bij het verhaal over het tempelreiniging door Jezus. Mattheus en Lucas plaatsen dat op dezelfde dag als de intocht in Jeruzalem. Marcus zet het op de volgende dag. Dat is gemakkelijk te verklaren als wordt aangenomen dat hij Mattheus en Lucas volgt maar dat ook weer niet slaafs doet, zodat hij hier afwijkt, omdat dat hem om een of andere reden goed uitkomt.
Bijna altijd is de volgorde van Marcus gelijk aan die van Mattheus en Lucas, of aan een van beiden. Dat vindt zijn verklaring gemakkelijk als Marcus derde is. Als hij om wat voor redenen dan ook niet beide bronnen kan of wil volgen, kiest hij voor de een of de ander. Als vanzelf neemt hij dan ook meer kenmerkende woorden over van degene die hij volgt [5]. Het is weliswaar mogelijk om met de aanname van Q vol te houden dat Mattheus en Lucas soms onafhankelijk van elkaar dezelfde volgorde en dezelfde inhoud hebben. Maar deze hypothese kan niet verklaren dat Lucas Marcus blijft volgen, altijd wanneer Mattheus afwijkt, en dat Mattheus Marcus blijft volgen altijd wanneer Lucas afwijkt. Volgens de twee bronnentheorie zouden ze immers niet van elkaar moeten weten wat ze doen. Men kan ook uitgaan van de oplossing van Augustinus dat de evangelisten elkaar gekend en gelezen hebben in de volgorde Mattheus, Marcus, Lucas. Maar dan zou Lucas een reden moeten hebben om in alle gevallen Marcus te blijven volgen daar waar Mattheus van Marcus afwijkt. Hetzelfde probleem doet zich in het geval dat men zou willen voorstellen dat Mattheus derde is. Zo blijven er twee mogelijkheden over: of de volgorde Mattheus – Lucas – Marcus of Lucas – Mattheus – Marcus.
Stap 7: De kleine overeenkomsten tussen Mattheus en Lucas vormen een categorie van fenomenen die beter verklaarbaar is met Marcus als derde [6]. De overeenkomsten tussen Mattheus en Lucas tegenover Marcus zijn significant minder in aantal dan de overeenkomsten van Mattheus en Marcus tegenover Lucas en de overeenkomsten van Marcus en Lucas tegenover Mattheus. De meest voor de hand liggende verklaring daarvoor is dat Markus de derde is. Stel, men zou aannemen dat Lucas de derde is, dan zou hij vaak Mattheus moeten overnemen bij het volgen van de tekst van Marcus, want hij zou dan toch beide teksten voor zich hebben liggen. Echter, hij neemt nooit Mattheus over wanneer Mattheus afwijkt van Marcus. Dan blijft hij altijd Marcus volgen, en dat terwijl hij zelf weer vaak genoeg afwijkt van Mattheus en Marcus allebei op plekken waar zij overeenstemmen. Dat is vreemd.
Stap 8: Waar de volgorde hetzelfde is, is er ook meer overeenstemming in woordkeuze tussen de verschillende evangeliën. Ook dat pleit voor een plaats van Marcus na Mattheus en Lucas. Het ligt natuurlijk voor de hand dat je meer woorden overneemt uit de tekst die je nauwer volgt.
Stap 9: De redactionele werkwijze van Marcus wordt begrijpelijk vanuit die hypothese dat hij zijn evangelie primair gebaseerd heeft op Mattheus en Lucas.
Stap 10: De meest waarschijnlijke verklaring van de veelvoudige overeenkomsten tussen Mattheus en Lucas is dat zij gebruik gemaakt hebben van het werk van de ander.
Dat sluit overigens niet uit dat zij ook nog andere bronnen gemeenschappelijk hadden. De vormgeving van Mattheus en Lucas is uniek in de literatuur. Het zijn tegelijkertijd unieke en zeer gelijkende literaire werken. Dat komt nauwelijks voor [7].
Stap 11: De hypothese dat Lucas gebruik maakte van Mattheus stemt overeen met de inleidende woorden van zijn evangelie. Lucas spreekt over een verslag van wat gebeurd is, waaraan velen reeds meegewerkt hebben. Dat woord “verslag” staat in het enkelvoud en het zou dus kunnen zijn dat hij gewoon Mattheus bedoelt en dat hij dat boek ziet als een boek waar velen aan meegewerkt hebben. Het gaat bovendien in die aanvangswoorden van Lucas over “vervulling” en dat precies is de denkfiguur van Mattheus, de vervulling van de profetieën in Jezus Christus [8].
Volgens de standaarden van de hellenistische geschiedschrijving voldeed Mattheus niet. Er zijn bijvoorbeeld dubbele versies van verhalen, er wordt bijvoorbeeld geen goede reden gegeven waarom Jezus van Nazareth naar Kapernaum verhuisde en pas later in het verhaal wordt verteld hoe de mensen in Nazareth hem hebben verworpen, de bergrede wordt gericht aan de discipelen, maar pas na de bergrede worden de discipelen aangesteld. Dat is allemaal ongebruikelijk in de hellenistische geschiedschrijving.
Stap 12: Als we aannemen dat er een directe literaire afhankelijkheid is tussen Mattheus en Lucas, dan toont het interne bewijs van de teksten aan dat de richting van die afhankelijkheid gaat van Lucas naar Mattheus.
Farmer geeft een paar voorbeelden. In Mattheus 10:5 krijgen de discipelen de opdracht niet naar de heidenen te gaan, en in Mattheus 24: 20 komt de passage voor te bidden dat de vlucht uit Jeruzalem, als het zover is, niet in de winter is of “op een sabbat” zal plaatsvinden. Dat zijn woorden die in Marcus en Lucas niet voorkomen en woorden die ook steeds minder begrijpelijk worden naarmate de grenzen van de christelijke beweging verder van de plaats van oorsprong verwijderd raken.
Mattheus maakt bovendien veel gebruik van het Semitisch parallellisme. Er wordt wel aangenomen dat dit gedurende de eerste periode van mondelinge overlevering een behulpzame methode was. Parallelle formuleringen die deels ook herhalen, zijn gemakkelijker te onthouden. Als het evangelie dan voor het eerst wordt opgeschreven wordt die handelwijze vanzelfsprekend in eerste instantie bewaard. In tweede instantie staat dit open voor de kritiek van overtolligheid. Dat wijst erop dat Lucas, die dit parallellisme steeds doorbreekt, later is.
Stap 13: Het externe bewijs gaat tegen de hypothese in dat Mattheus geschreven zou zijn na Lucas. Daarmee bedoelt Farmer het getuigenis van de kerkvaders, dat vrij eenduidig is in dit opzicht. Als Lucas eerder zou zijn geschreven is Mattheus en judaïserende versie van Lucas. In dat geval is het onverklaarbaar dat de westerse kerk, die de canon heeft vastgesteld, unaniem die ereplaats aan Mattheus gegeven zou hebben.
Stap 14: Het gewicht van het externe bewijs gaat tegen de hypothese in dat Mattheus geschreven zou zijn na Marcus. Dezelfde argumenten als onder 13 gelden ook hier.
Stap 15: Dat Markus geschreven is na Mattheus en Lucas stemt overeen met het vroegste en beste bewijs-materiaal inzake deze kwestie [9]. Clemens van Alexandrië zegt dat hij van de ouderen heeft gehoord dat de evangeliën met genealogieën ouder zijn dan de evangeliën zonder. Clemens schreef dit rond het midden van de tweede eeuw. De uitspraak van Clemens heeft te meer bewijskracht omdat die uit Egypte komt, waar Marcus een grote rol gespeeld heeft. Ook citeert Justinianus het evangelie van Marcus al heel vroeg, tussen 100 en 125.
Stap 16: Bij nadere analyse blijkt Mattheus geschreven te zijn na het tijdperk van de oude Palestijnse christelijke gemeenschap, maar het werd niettemin overgenomen door Lucas, en Marcus komt na zowel Mattheus als Lucas en heeft vaak hun respectieve teksten gecombineerd. Dit vraagt natuurlijk een uitvoerige analyse en Farmer geeft daarvoor een aantal regels:
1. Die vorm van traditie die van buiten Palestina komt en van niet Joodse komaf is moet als secundair gezien worden aan het materiaal afkomstig uit Palestina dat uit joodse handen komt.
2. Meer specifieke tradities (namen van personen bijvoorbeeld) zijn van later oorsprong.
3. Tekstmateriaal dat meer redactionele uitleg geeft en bedoeld is om de traditie toepasbaar te maken aan de behoeften van de kerk is secundair.
4. Als een traditie woorden en zinnen heeft die overeenstemmen met een schrijfhand die elders aanwezig is in het evangelie, is dat evangelie secundair aan een vorm waaraan zulke zinnen en woorden ontbreken. Zo kunnen er ook termen en woorden in een later evangelie opduiken die eigenlijk afkomstig zijn van de eerste redactie en niet zozeer van de schrijfhand van de secundaire redactie.
Het boek “The Gospel of Jesus”
In “The Gospel of Jesus” (1994) geeft Farmer een voor leken toegankelijke samenvatting van zijn boek uit 1964 [10]. Bovendien weidt hij uit over de consequenties voor kerkelijk leven en verkondiging langs de lijnen van de twee bronnentheorie. Die consequenties komen erop neer dat de gemeente aangeleerd wordt haar eigen bronnen niet meer serieus te nemen. Sommige van deze tekst-voorbeelden halen we hier aan, om de bovenstaande, mogelijk enigszins abstract overkomende regels voor de interpretatie van de evangeliën aan de teksten zelf te illustreren.
18Johannes kreeg van zijn leerlingen bericht over al deze gebeurtenissen.
Hij riep twee van zijn leerlingen bij zich
19en stuurde hen naar de Heer, aan wie ze moesten vragen:
‘Bent U degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’
20Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden ze: ‘Johannes de Doper stuurt ons om U te vragen: “Bent U degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?”’
21Hij genas toen juist veel mensen van ziekten en allerlei aandoeningen en van kwade geesten, en Hij gaf tal van blinden het gezichtsvermogen terug.
22Hij antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: blinden zien en verlamden lopen, mensen die onrein zijn door een huidziekte worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.
23Gelukkig is degene die aan Mij geen aanstoot neemt.’
24Toen de afgezanten van Johannes vertrokken waren, begon Hij met de menigte over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind?
25Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die zich in fraaie gewaden hulde? Welnee, want wie voorname kleding draagt en in weelde leeft, woont in een paleis.
26Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, en zelfs meer dan een profeet.
27Hij is degene over wie geschreven staat:
“Let op, Ik zend mijn bode
voor Je uit,
hij zal een weg
voor Je banen.”
28Ik zeg jullie: van allen die geboren zijn uit een vrouw is niemand groter dan Johannes, maar in het koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij.
29(Alle mensen die naar hem geluisterd hebben, ook de tollenaars, hebben Gods rechtvaardigheid erkend, want zij hebben zich door Johannes laten dopen.)
30Maar de farizeeën en wetgeleerden hebben het plan van God verworpen: zij hebben zich immers niet door hem laten dopen.
31Waarmee zal Ik dan de mensen van deze generatie vergelijken, waarop lijken ze?
32Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen:
“Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen,
toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet treuren.”
33Want Johannes de Doper is gekomen, hij eet geen brood en drinkt geen wijn, en jullie zeggen: “Hij is door een demon bezeten.”
34De Mensenzoon is gekomen, Hij eet en drinkt wel, en jullie zeggen: “Kijk toch eens, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.”
35En toch is de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld.’
Lucas 7:18-35
De onderstreepte tekst is in het Grieks woordelijk hetzelfde in Lucas en in Mattheus. Waar de onderstreping onderbroken is wordt wel hetzelfde woord gebruikt, maar in een andere vervoeging of verbuiging. Drieënzestig procent van de tekst van Mattheus wordt woordelijk in Lucas overgenomen. Het staat ook nog eens in dezelfde volgorde. Het moet dus wel overgenomen zijn. Heeft Lucas het overgenomen van een gemeenschappelijke bron Q? Het betreft hier een verhaal. Volgens de aanhangers van Q bestaat Q uit woorden van Jezus, niet uit verhalen. Dus is dit hier geen oplossing. Lucas moet het daarom van Mattheus hebben overgenomen [11].
Het enige vers van deze passage in Lucas dat ook in Marcus te vinden is, is vers 27. Nu is deze tekst een verbinding van Maleachi 3: 1 en van Exodus 23: 20.
Er zitten kleine verschillen tussen de wijze waarop de verschillende evangeliën deze tekst weergeven. Hier een iets meer letterlijke vertaling uit het Grieks:
Zie, ik zal mijn boodschapper voor je aangezicht uit sturen,
die de weg zal bereiden voor jou uit.
Mattheus 11: 10
Zie, [ik] zal mijn boodschapper voor je aangezicht uitsturen,
die de weg zal bereiden voor jou uit.
Lucas 7: 27
Zie, [ik] zal mijn boodschapper voor je aangezicht uitsturen,
die jou weg zal bereiden.
Marcus 1:2
Marcus heeft als inleiding op deze woorden toegevoegd “Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja:”, en hij noemt dus Maleachi helemaal niet. Lucas en Marcus laten het woord “ik” weg, – dat is omdat het eigenlijk overbodig is, want in het Hebreeuws is dat al af te lezen aan de vorm van het werkwoord. Het tweede verschil is dat Markus de woorden “voor jou uit” weg laat. Het is dan wel heel toevallig dat Mattheus en Lucas allebei deze woorden wel hebben terwijl volgens de twee bronnentheorie verondersteld zou moeten worden dat zij de tekst van Marcus overgeschreven hebben. Dat zou nog verklaard kunnen worden doordat zij het allebei aantroffen in een gemeenschappelijke bron Q. Maar daar blijft het niet bij. Want zowel Mattheus als Lucas plaatsen dit woord van Marcus in een andere context dan Marcus en dat is bovendien een context waarin het prima past. Kortom, het ligt veel meer voor de hand om het omgekeerde te veronderstellen: Marcus heeft de tekst in de verbinding tussen Maleachi en Jesaja overgenomen uit Lucas en Mattheus en er zijn woorden over Jesaja aan toegevoegd en waarschijnlijk niet eens opgemerkt dat er ook nog een verwijzing naar Maleachi in zat.
Marcus voegt dus woorden uit Jesaja aan toe:
3Een stem roept in de woestijn:
“Maak de weg van de Heer gereed,
maak recht zijn paden!”’
Marcus 1:3
Farmer legt het geheel aan Bijbelcitaten als volgt uit: Lucas heeft Mattheus 11:2-19 overgenomen en enigszins uitgebreid. Ook het citaat dat uit Maleachi en Jesaja is samengesteld heeft hij overgenomen uit Mattheus. Marcus die ook het woordje “ik”, dat in het Grieks overbodig is, weg laat volgt op zijn beurt Lucas. Marcus voegt bovendien het woord uit Jesaja 40:3 toe om Johannes de Doper nader te typeren. Alle data in deze teksten kunnen gemakkelijk verklaard worden op basis van de twee-evangeliën-theorie, terwijl de twee-bronnen-theorie heel ingewikkelde omwegen moet bewandelen en aannames moet doen, die niet geverifieerd kunnen worden.
De letterlijke overeenkomst tussen Lucas en Mattheus is het sterkst aanwezig in de woorden van Jezus. Maar op bepaalde plekken is er ook een groot verschil in de bewoordingen daarvan. Daarvan ook een voorbeeld:
‘De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes.
3Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden.
4Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten.
5Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer,
6ze verlangen een ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen,
7en hechten eraan op het marktplein eerbiedig begroet te worden en door de mensen rabbi genoemd te worden.
Mattheus 23:2-7
46‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden:
47ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’
Lucas 20: 46-47
Alle geleerden, aldus Farmer, zijn het erover eens dat Mattheus hier het meest oorspronkelijke is. Men mag ook aannemen dat de lezers van Lucas niet veel wisten van de joodse gebruiken, zoals het “verbreden van hun gebedsriemen” en het lang maken van de kwastjes aan de kleren. In strikte overeenstemming met de wetgeving in Exodus en Deuteronomium droegen vrome Joden opgerolde teksten uit de wet op hun lichaam. Daarvan wisten de toegestroomde gemeenteleden uit de volken van Lucas en Paulus maar weinig. Dus maakt Lucas er maar “dure gewaden” van (eigenlijk letterlijk “lange gewaden”). Daar weten deze Griekse en Romeinse gemeenteleden weer alles van, want ook de rijken in het Romeinse Rijk hadden dat soort praktijken. Dit wijst er dus op dat Lucas secundair is aan Mattheus, niet andersom [12].
Hoe heeft Marcus gewerkt met dit tekstgedeelte?
38Tijdens zijn onderricht zei Hij: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein,
39en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden:
40ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’
Marcus 12: 38 – 40
Opnieuw geeft de onderstreping de overeenkomst aan, dit keer tussen Marcus en Lucas. De gebroken onderstreping wijst op een andere vorm van hetzelfde woord. Marcus legt wel vaker joodse gebruiken uit of joodse uitdrukkingswijzen. Dat wijst erop dat zijn lezers hier niet vertrouwd mee waren. Hiervan een bekend voorbeeld:
1Toen kwamen er vanuit Jeruzalem farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus. Ze vroegen Hem:
2‘Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.’
Mattheus 15:1-2
1Ook de farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op.
2En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen
3[de farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden,
4en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonmaken van bekers, kruiken, ketels en bedden]…
Marcus 7:1-4
Het gedeelte tussen vierkante haken wordt vaak beschouwd als een latere toevoeging. Die zou dan bedoeld zijn voor latere Grieks-Romeinse lezers die die informatie nodig hadden. Het kan ook zijn dat een opmerking in een eerdere versie in de kantlijn is geschreven en later in de tekst is terechtgekomen. Theoretisch kan dat. Maar alle kopieën van Marcus die overgeleverd zijn hebben deze “toevoeging”. Dus moet die van heel vroege datum zijn. Dat is een probleem voor alle theorieën die uitgaan van de aanname dat het evangelie van Markus het oudste is. Als Marcus het oudste is, waarom zou dan Mattheus dit niet overgenomen hebben? Ook elders legt hij Hebreeuws uitdrukkingen wel uit aan zijn lezers.
De hierboven genoemde passages vormen weliswaar geen sluitend bewijs van de opvatting dat Markus na Lucas komt. Je kunt ook andere hypotheses gebruiken als verklaring. Maar, aldus Farmer, met de hypothese van de twee-evangeliën-hypothese in de hand kun je een omvattend netwerk van aanwijzingen vaststellen die deze hypothese ondersteunt, zonder allerlei extra aannames [13]. Dat netwerk van hypotheses vindt men door de literatuur na te slaan waar in dit stuk naar verwezen wordt. Het vergt de nodige studie, maar na een poosje ziet men dat netwerk van verwijzingen voor zich oprijzen.
[1] Farmer, W.R., 1964. The Synoptic Problem – a critical review of the problem of the literary relationships between Matthew, Mark, and Luke”, McMillan, New York.
[2] Farmer 200.
[3] Griesbach J.J. 1774 – 1775. Synopsis evangeliorum Matthaei, Marci et Lucae (later uitgebreid tot Synopsis evangeliorum Matthaei, Marci, Lucae et Johannis), Owen, H., 1764. Observations on the Four Gospels; Tending Chiefly, to Ascertain the Times of Their Publication; and to Illustrate the Form and Manner of Their Composition. Bij een bezoek aan Engeland heeft Griesbach kennelijk het boek van Owen aangeschaft en gelezen – het werd na zijn dood in zijn bibliotheek aangetroffen.
[4] Farmer 202.
[5] Farmer 213.
[6] Farmer 216.
[7] Farmer 221.
[8] Farmer 223.
[9] Farmer 226.
[10] Farmer W.R., 1994. The Gospel of Jesus; The Pastoral Relevance of the Synoptic Problem, Wipf & Stock.
[11] Je kunt natuurlijk ook aannemen dat er toch ook enkele verhalen terechtgekomen zijn in die bron Q. Door veel geleerden wordt een verschillende definitie en benaderingswijze van de mogelijke inhoud van deze bron Q voorgesteld. Maar door al dit soort aannames – zie de kritiek van Goulder – kun je altijd weliswaar een theorie rond krijgen en kloppend maken, maar daardoor maak je je onder de schijn van wetenschappelijkheid intussen oncontroleerbaar. Je kunt altijd weer een extra aanname doen en het verhaal is weer rond.
[12] Farmer Ibid 33.
[13] Farmer spreekt dan van “evidence”, het is “evidence”, geen “proof”, want het gaat niet om wiskunde, Farmer Ibid 35.