Hoe ziet Goulder Lucas?

Goulder is bekend geworden doordat hij het idee uitwerkte dat alle pericopen in de evangeliën parallel gelezen zouden moeten worden aan lezingen uit het oude testament in de synagoge. Nu hebben meer mensen die bewering gedaan, maar Goulder probeert dat leesrooster ook te reconstrueren. Hij heeft daar veel kritiek op gehad en het is met veel onzekerheden omgeven, maar het is wel plausibel. Het is plausibel omdat er zoiets wel bestaan moet hebben, al kan het er altijd iets anders uitgezien hebben dan in zijn reconstructie het geval is. Vanwege alle kritiek komt hij er in zijn boek over Lucas enigszins op terug, maar blijft er wel bij dat met grote zekerheid de grote feesten van de synagoge terug te vinden zijn in de pericopen van de evangeliën. Hij is een leerling van Farrer geweest en volgt Farrer in diens interpretatie dat Lucas Mattheus gebruikt heeft, maar ziet met Farrer en anders dan Butler Marcus als het eerste evangelie. Hier geef ik zijn visie weer. Dat doe ik in aanloop naar de weergave van de visie van Farmer die pleit voor de volgorde: Mattheus, Lucas, Marcus. Ik laat het aan de lezer over zelf te wegen en een oordeel te vormen. Los van zijn opvatting over Marcus is het ook interessant om bij Goulder na te lezen hoe hij komt tot de afwijzing van de veronderstelde Q bron.

Wisseling van paradigma

Aan het begin van zijn boek over Lucas heeft Goulder een belangrijke methodologische overweging [1]. Hij stelt de heersende consensus met betrekking tot de evangeliën ter discussie. Hij neemt zijn toevlucht tot het boek van Kuhn over paradigmawisselingen [2]. Elke wetenschap wordt gekenmerkt door een samenstel van hypothesen. Men kan dat een paradigma noemen. Samen geven die een bepaald perspectief op de feiten. Is een bepaald paradigma eenmaal geaccepteerd, dan doe je pas echt mee als wetenschapper, als je binnen dat paradigma werkt. Er kan wel tegenbewijs zijn, en dat is ook het zout in de pap, want anders is er niets om over te twisten. Normaliter kan een dergelijk tegenbewijs nog wel geaccommodeerd worden binnen het bestaande paradigma, of het kan fout blijken te zijn, of mettertijd, zo wordt dan ook wel gesteld, zal er wel iets gevonden worden, waardoor het toch verklaard wordt binnen het gewoonlijke paradigma [3]. Men blijft daardoor in het bestaande spoor doorwerken. Toch kan het tegenbewijs zich blijven opstapelen en een nieuwe generatie kan dan toch opeens met een nieuw paradigma komen. Dan is er sprake van een revolutie in de wetenschap. Het punt dat Kuhn in diens boek maakt is dat een dergelijke revolutie vaak niet tot stand komt door de opeenstapeling van bewijs, maar omdat het paradigma om andere redenen niet meer voldoet. Men wil het niet meer zo zien. Maar zolang een dergelijk paradigma aan de macht is, is het ongelooflijk elastisch en kan het eindeloos aangepast worden. Je vindt altijd wel een redenering waardoor iets toch verklaard zou kunnen worden, ook al ligt het absoluut niet voor de hand. Zo is het ook met het overgeleverde paradigma betreffende de onderlinge samenhang en opeenvolging van de evangeliën, aldus Goulder.

Goulder omschrijft het complex van hypotheses van het huidige en heersende paradigma in acht punten:

1. Het is mogelijk vanuit de teksten terug te gaan tot echte woorden en gebeurtenissen uit Jezus’ tijd.

2. Die uiteenlopende tradities werden bewaard en overgeleverd in verschillende christelijke gemeenschappen en ondergingen daardoor erosie en/of werden ook versterkt in hun betekenis.

3. De eerste collectie overleveringen is Marcus, geschreven rond 70 en met zijn eigensoortige erosies en versterkingen.

4. Er was nog een tweede collectie van woorden van Jezus, een bron Q, die verloren is gegaan, maar die materiaal omvat moet hebben dat Lucas en Mattheus wel hebben maar Marcus niet.

5. Mattheus heeft zijn evangelie geschreven rond het jaar 80, en het bestaat uit een combinatie van Marcus en Q, naast een derde bron M, waar alleen Mattheus over beschikte.

6. Lucas heeft zijn evangelie geschreven rond het jaar 90 voor de christenen uit de heidenen en hij had Marcus en Q als bron, kende Mattheus niet, maar beschikte nog wel over een eigen bron, L.

7. Johannes is geschreven omstreeks 100, al wordt daar in toenemende mate aan getwijfeld, en hij had toegang tot een traditie uit de sfeer van Lucas en de sfeer van Marcus.

8. Het evangelie van Thomas heeft nog oud materiaal, woorden en gelijkenissen.

In de wetenschapsfilosofie is Karl Popper gekomen met het criterium van falsifieerbaarheid. Daarmee bedoelde hij dat een bepaalde hypothese getoetst moet kunnen worden, want anders heeft die hypothese geen zin. Hij heeft dan geen onderscheidende waarde. Je kunt wel van alles beweren en allerlei hypothesen bedenken en zo altijd het verhaal rond krijgen. Dat is volgens Goulder ook het probleem met het bovenstaande stelsel van hypothesen. Ze zijn heel moeilijk te weerleggen, ook als ze niet echt voor de hand liggen. Je kunt er altijd wel naartoe redeneren. Maar de prijs daarvan is dat je dan ook niet meer een goed criterium voor de waarheid in handen hebt. Daarom verheft Goulder tot criterium dat de eenvoudigste verklaring de grootste waarschijnlijkheid heeft. De bewijslast ligt dan bij de meer ingewikkelde hypothesen.

De kleine tekstuele overeenkomsten tussen Mattheus en Lucas

Goulder illustreert dat aan het probleem van de kleine overeenkomsten tussen Lucas en Mattheus tegenover Marcus [4]. Daar zijn er heel veel van. Als Lucas en Mattheus elkaar niet gekend hebben, hoe zit het dan met die letterlijke overeenkomsten? Wel, is het klassieke antwoord, die vinden hun verklaring door de gemeenschappelijke bron Q, die zowel Lucas als Mattheus gebruikten. Deze bron, Q heeft echter volgens de meesten van zijn voorstanders geen verhalen maar alleen of bijna uitsluitend woorden van Jezus. Dus heeft Q ook geen lijdensverhaal. Als dat zo is, dan hoeven we slechts een kleine letterlijke overeenkomst tussen Lucas en Mattheus tegenover Marcus in het lijdensverhaal te vinden om de Q hypothese te weerleggen. Een dergelijke kleine overeenkomst is er ook. Volgens Goulder zijn er wel zes maar hij noemt alleen de volgens hem belangrijkste. Dat is:

67Daarop spuwden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem. Anderen stompten Hem 68en zeiden: ‘Profeteer nu maar voor ons, messias, wie is het die Je geslagen heeft?’”
Mattheus 26: 67

65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen; ze blinddoekten Hem en sloegen Hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar!’, en ook de dienaren gaven Hem vuistslagen”
Marcus 14: 65

63De mannen die Jezus gevangenhielden, dreven de spot met Hem en geselden Hem. 64Ze blinddoekten Hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar, wie is het die Je geslagen heeft?’”
Lucas 22: 63,64

In de onderstreepte tekst hebben Mattheus en Lucas overeenstemming tegenover Marcus. Maar een dergelijke overeenkomst kan ook toevallig zijn, omdat ze toevallig dezelfde wijziging doorgevoerd hebben. Het kan ook zo zijn dat een overschrijver op eigen autoriteit de tekst aangepast heeft aan het andere evangelie. Dat verdedigingsmechanisme is de koers van de hardliners, volgens Goulder. Er is ook een meer voorzichtige strategie en die zegt dat mogelijk een oudere versie van Marcus de tekst had die Mattheus en Lucas hebben. De huidige tekst van Marcus zou dan een latere versie of eindredactie vertegenwoordigen. Wel moet Marcus in dat geval dus nog een nieuwe versie gekregen hebben. Dat maakt de theorie meer gecompliceerd en volgens de criteria van Goulder dus minder waarschijnlijk. Er kunnen ook mondelinge tradities geweest zijn die voor de tekst van Lucas en Mattheus gezorgd hebben. Van alles is mogelijk. Het probleem aan het einde van de rit is dat de hypothese niet meer falsifieerbaar is. De hypothese van een verzameling woorden van Jezus in een verloren geschrift Q is tot dogma geworden. Elke weerlegging van de hypothese wordt weer recht gepraat. Goulder levert doorheen heel zijn boek een gedetailleerde analyse van de inhoud van de veronderstelde bron Q. Hij komt tot de conclusie dat de reconstructie van Q een tekst oplevert die eigenlijk niet te onderscheiden is van Mattheus. Waarom moet ontkend worden wat evident is? Q is niet nodig en heeft niet bestaan.

De historische ontwikkeling

Hoe is het dan wel gegaan? Goulder staat op het standpunt dat het evangelie van Markus het resultaat is van Johannes’, Jacobus’ en Petrus’ opvatting van de betekenis van leven, kruis en opstanding van Jezus Christus. Zij hadden met zijn drieën voor langere tijd de leiding over de eerste gemeente in Jeruzalem. Wat Lucas en Mattheus betreft staat hij op het standpunt dat die van latere datum zijn en dat men de woorden van Mattheus en gelijkenissen van Lucas eigenlijk niet kan toeschrijven aan de eerste tijd [5]. Goulder leest in Marcus een gespannen verwachting van een spoedige wederkomst, wees waakzaam (Marcus 13: 37 bijvoorbeeld)! In de andere evangeliën krijgt dat minder nadruk. Dat betekent dat in die evangeliën het einde niet meer zo spoedig verwacht wordt. Er is al sprake van een zeker uitstel [6]. Als een missie mislukt, zoals de zending onder de Joden die Marcus voorstelt eigenlijk mislukt is, dan gaat het verwerkingsproces door een aantal gemoedstoestanden heen, zoals hoop, teleurstelling, erkenning, bitterheid. Bij Marcus zien we dus de hoop, bij Paulus zien we in 55 teleurstelling. In de brief aan de Romeinen zegt dat hij wel afgesneden zou willen zijn van Christus, als hij zijn joodse broeders maar kon redden (Romeinen 9:3). Bij Mattheus zien we een zeker formalisme ontstaan. Formeel gaat de zending naar Israël nog door, maar dat levert alleen maar teleurstellingen en misbruik op (Mattheus 23). De erkenning van de mislukking is evident in Handelingen (speciaal 28: 17-31), en ongeremde bitterheid treffen we aan in het evangelie van Johannes [7].

De kerk heeft er lang over gedaan om op te schuiven van de hoge verwachtingen bij Marcus naar de lange tijdshorizon van Lucas. Bij Lucas, in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, komt het oordeel over hen beiden pas bij de dood. De wederkomst van de heer wordt dus niet voor de dood verwacht. Daartussenin zit de stem van Mattheus. Hij heeft de gelijkenis van de bruidegom die verwacht wordt, maar de tien meisjes die hem verwachten vallen in slaap en sommigen hebben geen olie genoeg (Mattheus 25: 1-13). Zo Goulder.

Kenmerken van Lucas

Goulder ziet in Lucas meer dan louter een redactor [8]. Hij is ook iemand met zijn eigen creativiteit en zijn eigen (versie van de) boodschap. Een voorbeeld is de gelijkenis van de vader van de twee zonen, bij Mattheus, van wie de een luistert en de ander niet. Dat werkt hij om naar de gelijkenis van de verloren zoon [9]. Dat is helemaal in lijn met de joodse midrasj traditie, die ook zo te werk gaat. Veel materiaal dat uitsluitend van Lucas is heeft alle kenmerken van Lucas’ stijl en woordkeuze. Goulder schrijft dat dus aan Lucas zelf toe. Verhalen zoals dat van de jongeling van Naïn die Jezus uit de dood opwekt, heeft Lucas zelf bedacht, maar ook weer niet uit het niets. Lucas moet zichzelf gezien hebben als iemand die het evangelie van Mattheus en Marcus uitbreidde, uitlegde, uitwerkte, kleurrijke details toevoegde, referenties naar het oude testament, enzovoort.

Lucas presenteert in zijn gelijkenissen de werkelijkheid van de maatschappelijke middenklasse van zijn dagen. Het gaat niet om miljoenen schulden, zoals vaak bij Mattheus, maar om realistische schulden in het leven van alledag van een welgestelde middenklasse in het Grieks Romeinse Rijk. Hij heeft minder allegorische verhalen dan zijn voorgangers en zijn gelijkenissen zijn vaak illustraties. Vaak gaat het ook om hoofdpersonen die geen goede reputatie hebben en niet om rijke eervolle koningen, boeren of zakenlieden. Zijn karakters krijgen meer kleur dan die bij Marcus en Mattheus. Ze zijn in dialoog met de ander en overleggen ook bij zichzelf: wat moet ik nu doen? Volgens Goulder heeft Lucas de gelijkenissen aangepast aan de behoeften van zijn gemeenten [10]. We zouden dus kunnen zeggen, dat, zoals Paulus dat zegt, we bij Lucas Christus niet meer kennen naar het vlees maar naar de Geest (2 Korinthiërs 5: 16). De evangelieschrijvers willen niet beschrijven hoe het precies gegaan is, maar wat de betekenis is van Jezus Christus.

Lucas is de grote verhalenverteller in het nieuwe testament. De rijke man bijvoorbeeld is tegenover de arme Lazarus niet een karikatuur maar een mens van vlees en bloed, die weliswaar onverschillig is en minachting heeft voor de bedelaar voor zijn deur, maar toch ook bezorgd is om zijn broeders, zelfs te midden van zijn eigen kwellingen. De typen van Lucas praten ook in zichzelf, je hoort hun overwegingen. In de gelijkenis van de wijngaard staat bijvoorbeeld alleen in Marcus: “6Ten slotte was alleen nog zijn geliefde zoon over; die stuurde hij als laatste naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben” (Marcus 12: 6). Bij Lucas staat dan: “13Toen zei de eigenaar van de wijngaard: “Wat moet ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon naar hen toe sturen, voor hem zullen ze toch wel ontzag hebben” (Lucas 20: 13). Lucas heeft ook langer lopende conversaties en dialogen. De gasten die bijvoorbeeld niet wensen te komen op het feest dat hun heer wil geven worden niet alleen maar feitelijk beschreven maar nemen het woord, komen met voorwendsels en rechtvaardigingen. Lucas heeft aandacht voor detail en voor het werk dat mensen doen. Bij Mattheus legt de wijze bouwer van een stevig huis alleen maar een goed fundament, maar bij Lucas is de bouwer iemand die “een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde” (Lucas 6: 48). Lucas heeft bovendien veel minder allegorische beschrijvingen, en in plaats daarvan veel historische details van echte mensen.

De gelijkenissen van Mattheus staan vaak in de indicatief. Zij beschrijven het handelen van God of Christus. Ze beginnen vaak met “Het koninkrijk der hemelen is als…”. De gelijkenissen bij Lucas staan vaak in de imperatief, want het gaat om de bedoeling. Zij wijzen de christenen op hun plicht. Wij moeten doen als de barmhartige Samaritaan, en niet als de farizeeër, enzovoort.

Ook probeert Lucas meer dan eens de scherpe randjes voor de Romeinse overheden uit het verhaal weg te poetsen. In Marcus bijvoorbeeld zegt Jezus in het proces steeds niets tegen Pilatus en hij wordt bespot door een groep soldaten die hem een purperen zogenaamde koningsmantel aantrekt. Bij Lucas stuurt Pilatus Jezus naar koning Herodes en dan zijn het daar de soldaten van Herodes die Jezus bespotten. Daar hoeven de Romeinse lezers van Lucas zich wellicht minder door bekritiseerd te voelen. Daar zijn meer voorbeelden van, zoals bijvoorbeeld het “nieuwe onderricht” dat Jezus zou geven. In Marcus staat daar: “27Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als Hij onreine geesten een bevel geeft, wordt Hij gehoorzaamd’” (Marcus 1: 27). Maar Lucas heeft daar staan “6Allen waren verbijsterd. Ze bespraken het voorval met elkaar en zeiden: ‘Wat zijn dat voor dingen die Hij zegt? Hoe komt het dat Hij het gezag en de macht heeft om onreine geesten zijn bevelen te geven zodat zij de mensen verlaten?’” (Lucas 4: 36). Dat is gematigder. Ook dat is een rechtvaardiging tegenover de Romeinen, omdat de Romeinen groot respect hadden voor overgeleverde religieuze tradities. Je moest altijd oppassen geen goden voor het hoofd te stoten, en daarom ook oppassen met vernieuwingen en nieuwe dingen. Een voorbeeld is ook het proces van Stefanus, waarin deze er van beschuldigd wordt dat hij zei dat Jezus de tempel zou vernietigen. Dat is precies een beschuldiging die in Marcus tegen Jezus ingebracht wordt. En Lucas neemt dat van Marcus niet over als het om Jezus gaat (wij moeten eraan toevoegen: als het overnemen in die richting gaat van Marcus naar Lucas, maar dat is wel de opvatting van Goulder).

Het Grieks van Lucas is beter dan dat van de andere evangelisten. Hij gebruikt betere constructies, mooiere retorische zinnen. Tegelijkertijd is zijn Grieks vaak gemodelleerd naar de Septuaginta. Zijn Hebreeuwse uitdrukkingswijze heeft zijn oorsprong in de Septuaginta, niet in het feit dat hij Hebreeuws zou kunnen. Hij is goed op de hoogte van de joodse gebruiken en overleveringen. Ook zijn geografische beschrijvingen zijn nauwkeurig.

[1] Goulder, M.D., 1989. Luke: A New Paradigm, Part I, Sheffield Academic Press.
[2] Kuhn, T.S., 1962. The structure of scientific revolutions, University of Chicago Press.
[3] Goulder Ibid 4.
[4] Goulder Ibid 6.
[5] Goulder Ibid 77.
[6] Goulder Ibid 64.
[7] Goulder Ibid 65 De vraag is intussen wel welke zending nu mislukt is, die naar de heidenen af die naar de Joden? De zending naar de heidenen is immers heel goed gelukt, maar het is niet gelukt de joodse broeders daarin mee te krijgen. Hier is Goulder onduidelijk. Bij Marcus heeft de zending onder de Joden geen centrale positie meer. Het debat waar Mattheus nog in verwikkeld is over de juiste interpretatie van de wet, heeft Marcus al achter zich gelaten.
[8] Goulder Ibid 75.
[9] Goulder Ibid 124.
[10] Goulder Ibid 87.